ANTWOORDEN DWANGMIDDELEN LICHAMELIJKE INTEGRITEIT

Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 5
of
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 5

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

 

1.      Het juiste antwoord is b.

Onderzoek aan het lichaam behoeft niet alleen gericht te zijn op ibn, maar kan ook toegepast worden om te kijken of zich op het lichaam van verdachte tatoeages bevinden of om te onderzoeken of de verdachte zelf ook gewond is geraakt (blauwe plekken en/of ander letsel).

Zakboek hulpOvJ 5.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.2.

2.      Het juiste antwoord is c.

De RC kan in geval van dringende noodzakelijkheid een bevel geven tot onderzoek aan het lichaam of de kleding van niet-verdachten.

Aan de wettelijke voorwaarden vereist voor kledingonderzoek behoeft inderdaad niet voldaan te worden ingeval van (bewuste en vrijwillige) toestemming van degene die aan de kleding onderzocht wordt.

Zakboek hulpOvJ 5.1 en 5.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.1 en 5.2.

3.      Het juiste antwoord is d.

De Opiumwet geeft géén bevoegdheid tot onderzoek aan/in het lichaam! Daartoe moet teruggevallen worden op het hier besproken art. 56 Sv.
D
e OvJ, de hulpOvJ én de RC kunnen bepalen/bevelen dat de verdachte aan het lichaam wordt onderzocht.
Uitsluitend de OvJ en de RC kunnen inderdaad bepalen/bevelen dat de verdachte in het lichaam wordt onderzocht.
 
Zakboek hulpOvJ 5.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.2.

4.      Het juiste antwoord is c.

Zakboek hulpOvJ 5.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.2.

5.      Het juiste antwoord is a.


Onder onderzoek in het lichaam wordt verstaan (art. 56 lid 2 Sv):

1.  het uitwendig schouwen (= van buitenaf bekijken) van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek en echografie;

2.  het inwendig manueel (= met de hand of een voorwerp) onderzoek van de openingen en holten van het lichaam.

Als onderzoek aan het lichaam blijft dus over:

1.  het onderzoek aan de oppervlakte van het hele lichaam met uitzondering van de openingen en holten van het onderlichaam;

2.  het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het bovenlichaam.

Zakboek hulpOvJ 5.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.2.

6.      Het juiste antwoord is a.

Een staande gehouden verdachte mag door een opsporingsambtenaar ter opsporing inderdaad ingevolge Sv niet aan zijn kleding worden onderzocht. In het kader van de Opiumwet mag een staande gehouden verdachte wél aan de kleding worden onderzocht, mits er sprake is van een misdrijf en ernstige bezwaren. Aanhouding is dan niet vereist.

Zakboek hulpOvJ 5.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.2.

7.      Het juiste antwoord is a.

Opsporingsambtenaren zijn bevoegd een aangehouden verdachte, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan de kleding te onderzoeken (art. 56 Sv). Deze bevoegdheid beperkt zich niet tot aanhouding terzake een op heterdaad ontdekt strafbaar feit en kan dus ook buiten heterdaad toegepast worden.

Zakboek hulpOvJ 5.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.2.

8.      Het juiste antwoord is b.

Tot het onderzoek aan de kleding behoort niet het onderzoek van meegevoerde bagage.

Insluitingsfouillering: onder het aftasten en doorzoeken van kleding wordt ook begrepen een onderzoek van voorwerpen die de ingeslotene bij zich draagt of met zich mee voert.

Zakboek hulpOvJ 5.2 en 5.5.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.2 en 5.5.

9.      Het juiste antwoord is d.

Voor een DNA-onderzoek is géén verdenking van een 67,1 misdrijf vereist en ook géén ernstige bezwaren. Beide eisen worden wél gesteld voor verplichte afname van celmateriaal voor een DNA-onderzoek (art. 151a en b en 195a en d). De hulpOvJ is onder voorwaarden bevoegd tot het vorderen van een DNA-onderzoek: zie art. 151a lid 3 Sv.

Inderdaad kan
uitsluitend een verdachte gedwongen worden tot afname van celmateriaal voor een DNA-onderzoek en niet bijv. een getuige/slachtoffer.

Zakboek hulpOvJ 5.6.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.6.

10.   Het juiste antwoord is c.

Zakboek hulpOvJ 5.6 en 5.9.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.6 en 5.9.

11.   Het juiste antwoord is c.

DNA-onderzoek van aangetroffen celmateriaal is als bewijs echter niet altijd voldoende, zie daarover uitgebreid het zakboek!

Zakboek hulpOvJ 5.8.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.8.

12.   Het juiste antwoord is a.

Zie art. 55b Sv:

1.            Inderdaad mogen ook meegevoerde voorwerpen onderzocht worden.

2.            Identificatiefouillering mag ook bij een staande gehouden verdachte worden toegepast (mits zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit).

3.            Identificatiefouillering mag in het openbaar plaatsvinden, als dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken, te voorkomen.

4.            Alleen als de identificatiefouillering in het openbaar heeft plaatsgevonden moet genoemd pv opgemaakt worden.


Zakboek hulpOvJ 5.3.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.3.

13.   Het juiste antwoord is c.

Alleen een aangehouden verdachte mag ingevolge art. 56 Sv door een opsporingsambtenaar ter opsporing aan de kleding worden onderzocht. Iets wat in de praktijk helaas regelmatig mis gaat. Inderdaad zijn tevens ernstige bezwaren vereist. Zie voor onderzoek aan de kleding bij terreurmisdrijven zakboek hulpOvJ 9.20 of zakboek opsporingsambtenaar 8.7 (art. 126zs Sv).

Zakboek hulpOvJ 5.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.2.

14.   Het juiste antwoord is d.

Art. 7 Politiewet.
De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen (MH: iedere burger dus, incl. de verdachte) bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.


Zakboek hulpOvJ 5.4.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.4.

15.   Het juiste antwoord is c.

Ook de enkele insluiting (ook als dit alleen plaatsvindt i.v.m. de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis) in een cel op een politiebureau (mede gelet op de emoties die dat kan oproepen) is reeds een situatie die een verhoogd risico voor de veiligheid van de ingeslotene, eventuele celgenoten en politieambtenaren inhoudt. Die insluiting vormt dus een omstandigheid welke een gevaar oplevert als bedoeld in art. 7 Politiewet. Een onderzoek aan de kleding van de in te sluiten persoon kan noodzakelijk zijn om dit gevaar af te wenden. Denk in dit soort zaken overigens ook nog aan de insluitingsfouillering.
Een bepaalde omgeving waarin een verdachte van diefstal door de politie aangehouden werd (in dit geval de hal van het CS te Amsterdam) en het overbrengen van die verdachte per surveillanceauto kunnen een (standaard) veiligheidsfouillering (kledingonderzoek) rechtvaardigen.


Zakboek hulpOvJ 5.4.
Zakboek opsporingsambtenaar 5.4.

 

 

TOT SLOT: TEL UW AANTAL FOUTEN.
0 fout  = 10

1 fout = 10

2 fout = 9

3 fout = 8

4 fout = 7

5 fout = 6

6 fout = 5.5

7 fout = 5

8 fout = 4.5

9 fout = 4

10 fout = 3.5

11 fout = 3

12 fout = 2.5

13 fout = 2

14 fout = 1

15 fout = 0

 

Heeft U fouten in de vragen of de beantwoording gevonden?
Heeft U tips over de vragen of heeft U tips voor andere meerkeuze vragen?
Mail graag naar webmaster@zakboekenpolitie.com.