ANTWOORDEN DWANGMIDDELEN VOORWERPEN
Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 6

of

Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 6

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

 

1.      Het juiste antwoord is d.

Onder ibn van enig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering (art. 134 lid 1 Sv). Daaronder valt uitsluitend het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 en 94a Sv ibn toestaan (waarheidsvinding, verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer).
Als voorwaarde voor rechtmatig beslag geldt niet dat de opsporingsambtenaar de in beslag genomen voorwerpen meeneemt.

Zakboek hulpOvJ 6.1.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.1.

2.      Het juiste antwoord is c.

Het uitreiken van een bewijs van ontvangst en het opmaken van een kennisgeving van inbeslagneming zijn geen voorwaarden voor ibn.
Het ontbreken van een bewijs van ontvangst en/of een kennisgeving van ibn leidt niet tot nietigheid of onrechtmatigheid van de ibn.

Zakboek hulpOvJ 6.2 en 6.36.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.2 en  6.29.

3.      Het juiste antwoord is d.

Zakboek hulpOvJ 6.3 en 6.5.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.3 en 6.5.

4.      Het juiste antwoord is c.

Ingevolge art. 94 Sv zijn vatbaar voor ibn alle voorwerpen:

1. die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot een gepleegd strafbaar feit;

2. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in art. 36e Sr, aan te tonen;

3. die kunnen worden verbeurdverklaard;

4. die kunnen worden onttrokken aan het verkeer.

Alternatief a is niet juist: er wordt niet
gevraagd naar de bevoegdheid maar naar de vatbaarheid.

Alternatief b is ook niet juist: de auto mag ook anders dan voor waarheidsvinding in beslag genomen worden.

Alternatief c: mocht de vriend van de verdachte inderdaad redelijkerwijze het betreffende gebruik hebben kunnen vermoeden, dan is verbeurdverklaring mogelijk en is de auto om die reden dus vatbaar voor ibn. Het betreft immers een voorwerp met behulp waarvan het feit is begaan.

Alternatief d: onttrekking aan het verkeer stelt onder meer als eis dat het betreffende voorwerp van zodanige aard moet zijn dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met ‘de wet’ of ‘het algemeen belang’. Dat kan van een auto zonder bijkomende omstandigheden lijkt mij niet gezegd worden.

Zakboek hulpOvJ 6.3 t/m 6.7 en 6.9.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.3 t/m 6.7 en 6.9.

5.      Het juiste antwoord is a.

Door een recente wetswijziging (zie het zakboek) komt de bevoegdheid tot ibn uitsluitend toe aan opsporingsambtenaren en overige bij de wet aangewezen functionarissen. ‘Wanneer de verdachte op heterdaad wordt aangehouden door een persoon die geen opsporingsambtenaar is, dient deze persoon de verdachte aan een opsporingsambtenaar over te dragen. Indien deze persoon nog voorwerpen bij de verdachte heeft aangetroffen, kan hij deze eveneens overdragen. Vervolgens kan de opsporingsambtenaar deze voorwerpen in beslag nemen’.

Zakboek hulpOvJ 6.9.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.9.

6.      Het juiste antwoord is d.

Vooraf: onder ibn van enig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering (art. 134 lid 1 Sv). In de praktijk wil het nog wel eens voorkomen dat men aangetroffen voorwerpen ‘voor het onderzoek onder zich neemt’ en (door het gebruik van deze formulering) ten onrechte denkt dat er aldus geen ibn heeft plaatsgevonden (en er bijvoorbeeld geen kennisgeving van ibn opgemaakt behoeft te worden). Gelet op art. 134 Sv is hier echter wel degelijk sprake van ibn.

a. Ook buiten heterdaad kan er in beslag genomen worden.

a t/m d: zie art. 96 Sv: i
n geval van ontdekking op heterdaad of bij verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67,1 Sv, is de opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen. Art. 95 Sv is niet van toepassing: de verdachte wordt immers niet (meer) staande of aangehouden (dat gebeurde een dag eerder).

Zakboek hulpOvJ 6.9.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.9.

7.      Het juiste antwoord is c.

Art. 96b Sv

1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67 lid 1 Sv, is de opsp. ambt. bevoegd ter ibn een vervoermiddel, met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner, te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen.

Zakboek hulpOvJ 6.9.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.9.

8.      Het juiste antwoord is b.

Alternatief a: er wordt gevraagd naar de bevoegdheid (en niet naar de vatbaarheid).

Alternatief b en c:
Art. 96 Sv
1.
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67,1 Sv, is de opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden.

Alternatief d: er hoeft (nog) niet gezocht te worden, de verbalisant ziet immers de voorwerpen zo staan.

Zakboek hulpOvJ 6.9 en 6.40.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.9 en 6.33.

9.      Het juiste antwoord is d.

Art. 96a

1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67 lid 1 Sv, kan de opsp. ambt. een persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor ibn vatbaar voorwerp bevelen dat hij dit ter ibn zal uitleveren.

2. Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte.

3. Verschoningsgerechtigden zijn niet verplicht aan het bevel te voldoen.

Moeder kan zich dus inderdaad op haar verschoningsrecht beroepen.

Zakboek hulpOvJ 6.9.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.9.

10.   Het juiste antwoord is c.

Zie over anonieme info en TCI-info uitgebreid het zakboek.

Zakboek hulpOvJ 2.2.
Zakboek opsporingsambtenaar 2.2.

11.   Het juiste antwoord is d.

Art. 9 Opiumwet geeft inderdaad géén bevoegdheid tot doorzoeking. En ook voor de Opiumwet geldt dat alles wat verder gaat dan ‘zoekend rondkijken’ doorzoeken is: ‘gericht en stelselmatig’ is al meer dan 10 jaar geen criterium meer! Voor een eventuele doorzoeking zal dus teruggevallen moeten worden op Sv.

Zakboek hulpOvJ 6.40.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.33.

12.   Het juiste antwoord is d.

I
n geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67,1 Sv, kan de OvJ ter ibn elke plaats, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv, doorzoeken. Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de OvJ niet kan worden afgewacht, kan een hulpOvJ deze bevoegdheid uitoefenen (art. 96c Sv). Zie voor de dan als regel ook vereiste machtiging doorzoeking van de OvJ art. 96c lid 2 Sv!!

Het kantoor van een professioneel verschoningsgerechtigde mag ook niet met toestemming van de verschoningsgerechtigde doorzocht mag worden, er zal teruggevallen moeten worden op art. 97 Sv (doorzoeking woning / kantoor verschoningsgerechtigde).

Zakboek hulpOvJ 6.10.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.10.

13.   Het juiste antwoord is c.

De doorzoeking mag in dit soort gevallen niet voortgezet worden in een woning. Voor doorzoeking van een woning is altijd een voorafgaande machtiging van de RC vereist.

De hulpOvJ is inderdaad bevoegd met een machtiging binnentreden ter inbeslagneming de betreffende woning te betreden, voor de hand liggende voorwerpen in beslag te nemen en de situatie ter plaatse te bevriezen in afwachting van de komst van de tot doorzoeking bevoegde rechter of ambtenaar. (zie art. 9 Opiumwet en 96,2 en 97,5 Sv).

Zakboek hulpOvJ 6.10.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.10.

14.   Het juiste antwoord is d.

a. De betredingsbevoegdheid ter ibn van art. 96 Sv is wél een zelfstandige bevoegdheid die ook in afwachting van een mogelijke doorzoeking door de RC of OvJ kan worden uitgeoefend.

b. Ook als het contact met de RC er al wél is geweest, staat dat niet aan de zelfstandige beslagbevoegdheid van art. 96 Sv in de weg.

c. De beslagbevoegdheid van art. 96 Sv en de beslagbevoegdheden uit bijzondere wetten mogen tijdens een RC-zoeking wél worden toegepast op voorwerpen die geen betrekking hebben op de feiten waarvoor de RC aan het doorzoeken is en die tijdens de RC-zoeking onverwacht worden aangetroffen.

d. De beslagbevoegdheid van art. 96 Sv en de beslagbevoegdheden uit bijzondere wetten mogen tijdens een RC-zoeking inderdaad niet worden toegepast op voorwerpen die wél betrekking hebben op de feiten waarvoor de RC aan het doorzoeken is.

Zakboek hulpOvJ 6.10.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.10.

 

15.   Het juiste antwoord is d.

Stelling I:
Vooropgesteld moet worden dat voor de waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan/in in beslag genomen voorwerpen ten einde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Indien er bij zoekend rondkijken in een ruimte voor de hand liggende voorwerpen worden aangetroffen welke vatbaar zijn voor ibn en de opsp. ambt. ook bevoegd is tot die ibn (bijv. op basis van art. 96 Sv, de Opiumwet, de Wet wapens en munitie, de Wet op de economische delicten, enz.) dan mogen die voorwerpen niet uitsluitend in beslag genomen worden maar ook ter plaatse onderzocht worden. In een door de HR beoordeelde zaak vond een onderzoek plaats in een bedrijfsruimte die naar henneplucht riekte en in die ruimte werden diverse goederen aangetroffen die voor een hennepplantage konden worden gebruikt. Daaruit kon volgens de HR worden afgeleid dat redelijkerwijs vermoed kon worden dat in een voor de hand liggende plastic zak en boodschappentas met hennepplantage verband houdende goederen, zoals hennep, verpakt waren.

Stelling II:
Volgens art. 9 Awbi kan degene die bevoegd is de woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich de toegang tot en de doorgang in de woning verschaffen, voorzover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist. Daaronder valt ook het forceren van de (tussen)deur van een vertrek of het verschuiven van dozen teneinde de toegang tot een daarachter gelegen deur vrij te maken. De opsporingsambtenaar is niet gerechtigd om daarna dat vertrek te doorzoeken, dus meer te doen dan ‘zoekend rondkijken’ in dat betreffende vertrek. Wordt er aldus een deur geforceerd in het kader van ‘toegang en doorgang’ dan brengt dat niet per definitie mee dat er van een doorzoeking sprake is. Voorgaande geldt uiteraard ook voor andere plaatsen dan woningen.

Zakboek hulpOvJ 6.40.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.33.

16.   Het juiste antwoord is c.

Het aansluitend vorderen van onderzoekshandelingen is geen vereiste. Ingevolge art. 97,4 Sv is géén machtiging binnentreden vereist. De doorzoeking in een woning vereist inderdaad een v
oorafgaande machtiging van de RC.

Zakboek hulpOvJ 6.10.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.10.

17.   Het juiste antwoord is b.

Art. 125 Sv
1. in geval van een schouw of het doorzoeken van plaatsen kan de daarmede belaste rechter of ambtenaar (MH: in dit geval dus de hulpOvJ) de nodige maatregelen tot bewaking of afsluiting nemen of doen nemen en bevelen dat niemand zich, zonder zijn uitdrukkelijke bewilliging, van de plaats van onderzoek zal verwijderen of gebruik zal maken van de zich op de plaats van onderzoek bevindende telecommunicatievoorzieningen zolang het onderzoek aldaar niet is afgelopen.
2. Hij kan overtreders van dit bevel doen vatten en tot afloop doen aanhouden.

Zakboek hulpOvJ 6.13.
Niet in zakboek opsporingsambtenaar.

 

18.   Het juiste antwoord is b.

Kennisneming van de inhoud van gesloten ‘post’  is inderdaad uitsluitend toegestaan aan de OvJ nadat deze daartoe gemachtigd is door de RC (art. 101 lid 2, 102a en 114 lid 2 Sv).

Zakboek hulpOvJ 6.10.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.10.

19.   Het juiste antwoord is c.

Aan de woning worden voor doorzoeking niet meer eisen gesteld dan dat het een woning is. Voor de doorzoeking is een machtiging van de RC vereist.

Zakboek hulpOvJ 6.11.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.11.

20.   Het juiste antwoord is c.

Art. 96a Sv
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67 lid 1 Sv, kan de opsp. ambt. een persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor ibn vatbaar voorwerp bevelen dat hij dit ter ibn zal uitleveren.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte.

Zakboek hulpOvJ 6.9.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.9.

21.   Het juiste antwoord is d.

Zie art. 96 lid 1 Sv: in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67, eerste lid, is de opsp. ambt. bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden.

Zakboek hulpOvJ 6.9 en 6.13.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.9 en 6.13.

22.   Het juiste antwoord is b.


Stelling I: de opsporingsambtenaar is hiertoe uitsluitend bevoegd als er door het onderzoek hooguit een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker(s) wordt gemaakt: anders altijd via de OvJ (of RC), zie uitgerbeid het zakboek


Let nog wel op: zie voor een onderzoek in een geautomatiseerd werk (bijv. een pc) waarin gegevens zijn opgeslagen die zijn ingevoerd door of vanwege professioneel verschoningsgerechtigden art. 125l (zonder toestemming slechts uitsluitend voor zover dit zonder schending van het stands-, beroeps-, of ambtsgeheim kan geschieden). Zie voor dit onderzoek weer art. 98 Sv. De HR merkte hierover nog op dat computerbestanden zich naar hun aard niet eenvoudig lenen voor afzonderlijk onderzoek en dat uiteraard wel voldoende gewaarborgd moet worden dat de in beslag genomen computers ex art. 125l Sv zullen worden onderzocht op een wijze waarbij het professioneel verschoningsrecht niet in het gedrang komt.

Zakboek hulpOvJ 6.42.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.43.

23.   Het juiste antwoord is a.

a. Voor conservatoir beslag is inderdaad een voorafgaande schriftelijke machtiging van de RC vereist.

b. Na teruggave van een voor waarheidsvinding ter zake een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit in beslag genomen voorwerp, mag dat voorwerp wél conservatoir in beslag genomen worden.

c. Art. 36e Sr biedt drastische mogelijkheden tot ontneming van wederrechtelijk voordeel.

Ingevolge lid 1 kan aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ingevolge lid 2 kan de verplichting van lid 1 worden opgelegd aan de in het 1e lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

En ingevolge lid 3 kan aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie , de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:

a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;

b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.

Voor alle duidelijkheid: de in art. 36e Sr genoemde ‘andere’ strafbare feiten behoeven dus niet ten laste gelegd en/of bewezen verklaard te zijn.

d. Ook voorwerpen die toebehoren aan derden kunnen conservatoir in beslag genomen worden (art. 94a Sv).


Zakboek hulpOvJ 6.17,  6.23 en 6.44.
Zakboek opsporingsambtenaar 6.16, 6.20 en deels niet in zakboek.

24.   Het juiste antwoord is c.

a. De bankier heeft géén professioneel verschoningsrecht.
b. De uit het slachtoffer verwijderde kogel valt niet onder het professioneel verschoningsrecht van de arts.
c. Het professioneel verschoningsrecht is inderdaad niet absoluut: in zeer uitzonderlijke omstandigheden gaat waarheidsvinding boven het verschoningsrecht. Zie daarover uitgebreid het zakboek.
d. Ook een lagere opsp. ambt. mag de kogel in beslag nemen (de kogel valt immers niet onder het professioneel verschoningsrecht) (art. 96 Sv).

Zie uitgebreid het zakboek.

Zakboek hulpOvJ 3.18, 6.10 en 6.34. 
Zakboek opsporingsambtenaar 3.18, 6.10 en niet in zakboek (beslag bij professioneel verschoningsgerechtigden).

25.   Het juiste antwoord is d.

a.
Kort gezegd: openen kast = doorzoeken. ‘De omstandigheid dat (…) de politie voorafgaand aan het binnentreden van de woning ervan op de hoogte was dat zich in die kast verdovende middelen bevonden, maakt dat niet anders.’ HR 21-12-10, LJN BO8202 (onder verwijzing naar de Kamerstukken).

b. Bij een door de rechter gegeven last tot teruggave moeten (digitale) afschriften/kopieën wél retour gegeven of vernietigd te worden.

c. Een onderzoek op de plaats delict door de afdeling forensische opsporing en/of het NFI valt WEL onder de regels die ingevolge het Wetboek van strafvordering voor doorzoeking gelden.
d. Handelen als verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer door een opsp. ambt. mag inderdaad uitsluitend als degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen heeft verklaard dat het hem toebehoort én deze daarvan schriftelijk afstand heeft gedaan.

Zie voor verbeurdverklaring art. 33 Sr:
1. Verbeurdverklaring kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit.

Zie voor het onttrekken aan het verkeer art. 36b Sr:
1. Onttrekking  aan  het  verkeer  van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:

1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;

2°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig art. 9a Sr wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd;

3°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan;

4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het  openbaar ministerie;

5°. bij een strafbeschikking.

Zakboek hulpOvJ:
a. 6.40
b. 6.43
c. 6.40
d. 6.37

Zakboek opsporingsambtenaar: 
a. 6.33
b. 6.30
c. 6.33
d. 6.30

 

TOT SLOT: TEL UW AANTAL FOUTEN.
0 fout  = 10

1 fout = 10

2 fout = 9.5

3 fout = 9

4 fout = 8.5

5 fout = 8

6 fout = 7.5

7 fout = 7

8 fout = 6.5

9 fout = 6

10 fout = 5.5

11 fout = 5

12 fout = 5

13 fout           = 4.5

14 fout = 4

15 fout = 3.5

16 fout = 3.5

17 fout = 3

18 fout = 2.5

19 fout           = 1.5

20 fout = 1

21 fout = 0.5

22 fout en meer = 0

Heeft U fouten in de vragen of de beantwoording gevonden?
Heeft U tips over de vragen of heeft U tips voor andere meerkeuze vragen?
Mail graag naar webmaster@zakboekenpolitie.com.