25 VRAGEN BIJZONDERE WETTEN

Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 11
of
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 10

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

    Alleen over:

1. Inleiding

2. Toezicht en opsporing

3. Misbruik/voortgezette toepassing van bevoegdheden

4. Algemene Wet Bestuursrecht

5. Vreemdelingenrecht

6. Rijden, varen en vliegen onder invloed

7. Wet Wapens en Munitie

8. Opiumwet

9. Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (Wet Mulder)

 

  1. Welk alternatief is juist?
    1. Voor de opsporing en vervolging van de in bijzondere wetten opgesomde strafbare feiten zijn de regels van het algemeen geldende Sv niet van toepassing.
    2. Eén van de kenmerken van bijzondere wetgeving is dat voor de handhaving van een bijzondere wet vaak meer bevoegdheden worden toegekend dan alleen die welke in Sv zijn opgenomen.
    3. Een voorbeeld van een verdergaande bevoegdheid uit een bijzondere wet is de bevoegdheid tot onderzoek aan het lichaam op basis van de Opiumwet.
    4. De extra bevoegdheden die in bijzondere wetten zijn opgenomen mogen ook altijd ter controle worden toegepast.

  2. Welke stelling is juist?
    I. In tegenstelling tot Sv bevatten bijzondere wetten
    géén toezichthoudende bevoegdheden voor opsporingsambtenaren.
    II. Ook het uitoefenen van toezicht is gericht op de opsporing van een bepaald strafbaar feit of op het zoeken naar een verdachte.

    1. Uitsluitend stelling I is juist.
    2. Uitsluitend stelling II is juist.
    3. Stelling I en II zijn juist.
    4. Stelling I en II zijn niet juist.

  3. De opsporingsambtenaar mag alleen gebruik maken van toezichthoudende bevoegdheden als in de betreffende bijzondere wet:
    1. De opsporingsambtenaar zelf als toezichthouder is aangewezen.
    2. Bepaalde toezichthoudende bevoegdheden uit de Algemene Wet Bestuursrecht voor de betreffende opsporingsambtenaar van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
    3. Extra toezichthoudende bevoegdheden aan de opsporingsambtenaar zijn toegekend.
    4. Alternatief a, b of c.

  4. Welke stelling is juist?
    I. In de Algemene Wet Bestuursrecht is opgenomen dat die Algemene Wet Bestuursrecht ook van toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
    II. De in bijzondere wetgeving aangewezen toezichthouders mogen de toezichthoudende bevoegdheden uit de Algemene Wet Bestuursrecht ook gebruiken voor opsporing.


    1. Uitsluitend stelling I is juist.
    2. Uitsluitend stelling II is juist.
    3. Stelling I en II zijn juist.
    4. Stelling I en II zijn niet juist.

  5. Welk alternatief is juist.
    1. Van misbruik maken van een bevoegdheid is sprake als een ambtenaar een handeling onderneemt op grond van een bepaalde wet en daarbij onverwacht stuit op een vermoeden van overtreding van een andere wet en vervolgens een bevoegdheid uit die andere wet toepast.
    2. Van misbruik maken van een bevoegdheid is sprake bij het welbewust toepassen van een toezichthoudende bevoegdheid uit de ene wet (bijv. de WVW) om een strafbaar feit uit een geheel andere wet (bijv. Sr of de Opiumwet) op te sporen.
    3. Alternatief a én b.
    4. Door invoering van de Algemene Wet Bestuursrecht kan het misbruik maken van een bevoegdheid nooit meer leiden tot onrechtmatig verkregen bewijs.

  6. Welke bevoegdheid geeft de Algemene Wet Bestuursrecht niet aan toezichthouders?
    1. Betreden van iedere plaats, inclusief woningen.
    2. Het vorderen van inlichtingen.
    3. Het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
    4. Het onderzoeken van vervoermiddelen.

  7. Welke stelling is juist?
    I. Op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar zijn krachtens de WVW de bestuurder van een voertuig én degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht.
    II. Opsporingsambtenaren zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens de WVW vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabijgelegen plaats te voeren of te doen voeren.

    1. Uitsluitend stelling I is juist.
    2. Uitsluitend stelling II is juist.
    3. Stelling I en II zijn juist.
    4. Stelling I en II zijn niet juist.

  8. Welk alternatief is juist?
    1. Een bevel tot ademanalyse aan een bestuurder die verdacht wordt van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank mag uitsluitend door een hulpOvJ gegeven worden.
    2. De bestuurder aan wie een bevel tot ademanalyse is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat én gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
    3. De onder b genoemde verplichting geldt ook voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
    4. Als de bestuurder geen toestemming verleent tot een bloedonderzoek, kan uitsluitend de OvJ of een hulpOvJ hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.

  9. Vanwege een eenzijdig ongeval gaan twee agenten naar het Martiniplein. Het eerste contact met de betreffende bestuurder is om 01.58 uur. De bestuurder wordt om 02.09 uur door een agent gevraagd om mee te werken aan een voorlopige ademanalyse. Uit de voorlopige ademanalyse ontstaat een verdenking terzake het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank. De ademanalyse wordt om 02.29 uur die dag afgenomen. Met betrekking tot deze ademanalyse geldt:
    1. Dat deze ademanalyse rechtmatig is omdat hij heeft plaats gevonden nadat twintig minuten verstreken zijn na het eerste directe contact dat de opsporingsambtenaren met de bestuurder hebben gehad.
    2. Dat deze ademanalyse onrechtmatig is omdat niet uit te sluiten is dat de ademanalyse heeft plaats gevonden binnen twintig minuten na het moment waarop van de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht.
    3. Dat deze ademanalyse onrechtmatig is omdat er niet gevorderd is.
    4. Dat de ademanalyse door iedere opsporingsambtenaar afgenomen mag worden.

  10. In welk geval moet het rijbewijs ingevolge de WVW ingevorderd worden?
    1. Uitsluitend als bij een ademanalyse blijkt dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht of, bij het ontbreken van een ademanalyse, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed. Voor de ‘beginnend bestuurder’ gelden in dit geval resp. 350 microgram en 0,8 milligram.
    2. Uitsluitend bij weigering van de ademanalyse, bloedproef of de urineproef
    3. Uitsluitend bij alternatief a én b.
    4. Alternatief a en b én c en in geval van overschrijding van een krachtens de WVW vastgestelde maximumsnelheid met vijftig kilometer of meer door een bestuurder van een motorrijtuig anders dan een bromfiets, in geval van staande houding van de bestuurder.

  11. Welke stelling is juist?
    I. Het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer bevat ook regels over het tegenonderzoek.
    II. Een verdachte kan voor een tegenonderzoek van zijn vrijheid beroofd worden of blijven.


    1. Uitsluitend stelling I is juist.
    2. Uitsluitend stelling II is juist.
    3. Stelling I en II zijn juist.
    4. Stelling I en II zijn niet juist.

  12. Wie werd door de HR niet als bestuurder (in de zin van art. 8 WVW) aangemerkt?
    1. De verdachte die met een motorfiets aan de hand liep terwijl hij probeerde die te starten.
    2. De fietser die zich, zittend op het zadel, langzaam voortbewoog in een soort loop-fietsende toestand.
    3. De persoon die achter het stuur zat van een door een andere auto met behulp van een sleepkabel gesleepte auto.
    4. Degene die achter het stuur van een auto had plaatsgenomen, de motor daarvan had gestart en daarbij keer op keer gas gaf zonder dat er beweging in het voertuig kwam.

  13. Welke stelling is juist?
    I.
    Verdenking van het rijden onder invloed kan al ontstaan doordat de opsporingsambtenaar de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcohol vindt ruiken.
    II. De verdachte die ná het geconstateerde rijden nog alcoholhoudende drank tot zich heeft genomen, is niet verplicht medewerking te verlenen aan een ademanalyse.

    1. Uitsluitend stelling I is juist.
    2. Uitsluitend stelling II is juist.
    3. Stelling I en II zijn juist.
    4. Stelling I en II zijn niet juist.

  14. Met betrekking tot het weigeren van een bloedonderzoek ingevolge de WVW geldt:
    1. Dat een geloofsreden het weigeren straffeloos maakt.
    2. Dat een bijzondere geneeskundige reden ook van psychische aard kan zijn.
    3. Dat de verdachte het recht heeft om alsnog een bloedproef te mogen ondergaan als hij binnen een uur terugkomt op zijn aanvankelijke weigering.
    4. Dat als de verdachte zijn eerder verleende toestemming tot het ondergaan van een bloedproef alsnog intrekt, een hernieuwd vragen van toestemming alvorens tot het bevelen van de bloedproef mag worden overgegaan vereist is.

  15. Welk alternatief is juist?
    1. Voorafgaand aan een bevel zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek moet de verdachte meegedeeld worden dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
    2. De verdachte heeft ook bij een gedwongen bloedafname het recht op een vrije artsenkeuze, mits die arts bijtijds tot bloedafname kan overgaan.
    3. Voor bloedafname is aanhouding van de verdachte vereist.
    4. Ook een voorwaardelijke weigering tot bloedafname is strafbaar (bijv. als de verdachte voor het geven van toestemming eerst zijn cardioloog wil spreken).

  16. Welke stelling is juist?
    I. De verdachte heeft het recht om alvorens toestemming te verlenen tot een bloedproef, het advies van een advocaat in te winnen.
    II. De verdachte mag van de arts eisen dat deze zich als arts legitimeert, indien hij ernstige redenen heeft om ervan uit te gaan dat de aan hem voorgestelde persoon geen arts is.

    1. Uitsluitend stelling I is juist.
    2. Uitsluitend stelling II is juist.
    3. Stelling I en II zijn juist.
    4. Stelling I en II zijn niet juist.

  17. Welke stelling is juist?
    I. De opsporingsambtenaar mag bepalen waar een voorlopig ademonderzoek plaatsvindt.
    II. Als een bestuurder dit verlangd, heeft hij er recht op dat op een voor hem controleerbare wijze, en dus in zijn aanwezigheid, een nieuw mondstuk uit de verpakking wordt genomen en op het apparaat wordt geplaatst.


    1. Uitsluitend stelling I is juist.
    2. Uitsluitend stelling II is juist.
    3. Stelling I en II zijn juist.
    4. Stelling I en II zijn niet juist.

  18. Welke stelling is juist?
    I. Tegen een verdachte mogen geen controlebevoegdheden worden toegepast.
    II. Ook het besturen van een spoorvoertuig onder invloed van alcoholhoudende drank is strafbaar.

    1. Uitsluitend stelling I is juist.
    2. Uitsluitend stelling II is juist.
    3. Stelling I en II zijn juist.
    4. Stelling I en II zijn niet juist.

  19. Met betrekking tot een doorzoeking op grond van de Wet wapens en munitie geldt:
    1. Dat deze niet door lagere opsporingsambtenaren mag plaatsvinden.
    2. Dat deze niet gebaseerd kan zijn op uitsluitend een enkele CI-info (informatie van een criminele inlichtingen eenheid).
    3. Dat tot de plaatsen die kunnen worden doorzocht ook voertuigen behoren.
    4. Dat het aantreffen van een tweetal vuurwapens in de auto van een verdachte geen doorzoeking van de woning van die verdachte kan rechtvaardigen.

  20. Welke van onderstaande bevoegdheden zijn niet opgenomen in de Opiumwet?
    1. Doorzoeking en vordering uitlevering aan de verdachte.
    2. Onderzoek aan het lichaam en doorzoeking.
    3. Vordering tot uitlevering en doorzoeking van vervoermiddelen
    4. Doorzoeking, vordering uitlevering aan verdachte én onderzoek aan het lichaam van verdachte.