15 VRAGEN DWANGMIDDELEN LICHAMELIJKE INTEGRITEIT

Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 5
of
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 5

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com
á

1.      Welke stelling is juist?
I. Onderzoek aan het lichaam moet altijd gericht zijn op ibn.
II. Voor wat betreft de bevoegdheid tot lichaamsonderzoek wordt door de wetgever onderscheid gemaakt tussen onderzoek aan en onderzoek in het lichaam.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

2.      Welke stelling is juist?
I. Ook niet-verdachten mogen onder voorwaarden ter opsporing aan het lichaam worden onderzocht.
II. A
an de wettelijke voorwaarden vereist voor kledingonderzoek behoeft niet voldaan te worden ingeval van toestemming van degene die aan de kleding onderzocht wordt.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

3.      Twee surveillerende agenten van politie ontdekken op heterdaad in het plaatselijke winkelcentrum een handelaar in verdovende middelen die harddrugs verstrekt aan gebruikers.

a.    Deze agenten mogen de verdachte handelaar uitsluitend aan het lichaam onderzoeken en niet ook in het lichaam.

b.    Deze agenten zijn bevoegd tot onderzoek aan Ún in het lichaam van deze verdachte handelaar.

c.    Uitsluitend de hulpOvJ en de OvJ zijn bevoegd tot het bevelen van onderzoek aan het lichaam.

d.    Uitsluitend de OvJ en de RC zijn bevoegd tot het bevelen van onderzoek in het lichaam.

4.      De hulpOvJ heeft bepaald dat de handelaar in verdovende middelen aan zijn lichaam mag worden onderzocht. Welke stelling is juist?
I. Het onderzoek aan het lichaam dient op een besloten plaats verricht te worden.
II. Het onderzoek aan het lichaam dient zoveel mogelijk door een persoon van hetzelfde geslacht als de verdachte verricht te worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

5.      De agenten willen in het kader van een opsporingsonderzoek aan het lichaam onder de voeten en in de mondholte van de verdachte voelen of hij daar verdovende middelen heeft verstopt. Welke stelling is juist?
I. H
et uitwendig bekijken van de oppervlakte van het onderlichaam met uitzondering van de openingen en holten van het onderlichaam valt onder onderzoek aan het lichaam.
II. Ook h
et inwendig manueel onderzoek van de mond valt onder onderzoek aan het lichaam.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

6.      Mag een door een opsporingsambtenaar ter zake baldadigheid (art. 424 Sr: overtreding) staande gehouden verdachte ter opsporing aan de kleding worden onderzocht?

a.    Nee, een staande gehouden verdachte mag in het kader van Sv ter opsporing immers niet aan de kleding worden onderzocht.

b.    Nee, het betreft hier immers een overtreding en geen misdrijf.

c.    Ja, mits er ernstige bezwaren bestaan tegen deze verdachte, waarbij tevens een bevel van een hulpOvJ vereist is.

d.    Ja, mits er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan.

7.      Een verdachte ter zake inbraken wordt buiten heterdaad aangehouden. Zijn de opsporingsambtenaren bevoegd tot een opsporingsonderzoek aan de kleding van deze verdachte?

a.    Ja, mits er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan.

b.    Ja, echter uitsluitend als de (hulp)OvJ dit bepaald heeft en er ook ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan.

c.    Nee, omdat er geen sprake meer is van heterdaad.

d.    Nee, omdat deze bevoegdheid slechts toekomt aan de (hulp)OvJ.

8.      Welke stelling is juist?
I. Tot het opsporingsonderzoek aan de kleding (gebaseerd op art. 56 Sv) behoort ook het onderzoek van de meegevoerde bagage.
II. Tot de insluitingsfouillering behoort ook het onderzoek van voorwerpen die de ingeslotene bij zich draagt of met zich mee voert.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

9.      Naar aanleiding van de vele inbraken in een bepaalde woonwijk wordt daar extra gesurveilleerd. Na een aantal dagen worden de inspanningen van de politie beloond: op heterdaad kan een woninginbreker aangehouden worden. Omdat er bij diverse inbraken in de wijk kennelijk door de dader telkens sigarettenpeuken zijn achtergelaten en de aangehouden verdachte bekend is als roker, wil de politie graag tot een DNA-onderzoek overgaan. Met betrekking tot een DNA-onderzoek geldt:

a.    Dat een DNA-onderzoek uitsluitend terzake verdenking van een 67,1 misdrijf mogelijk is.

b.    Dat voor een DNA-onderzoek ernstige bezwaren vereist zijn.

c.    Dat de hulpOvJ niet bevoegd is tot het vorderen van een DNA-onderzoek.

d.    Dat uitsluitend een verdachte gedwongen kan worden tot afname van celmateriaal voor een DNA-onderzoek en niet bijv. een getuige/slachtoffer.

10.   Welke stelling is juist?
I. C
elmateriaal mag uitsluitend afgenomen worden voor DNA-onderzoek of onderzoek naar een aangewezen ernstige besmettelijke ziekte.
II. In geval van zwaarwegende redenen kan het DNA-onderzoek worden verricht aan celmateriaal op voorwerpen, die van de verdachte in beslag genomen zijn, of aan celmateriaal, dat op andere wijze verkregen is.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

11.   Welke stelling is juist?
I.
Een rechter kan in een moordzaak tot veroordeling van een verdachte komen op basis van de resultaten van een sectie en een DNA-onderzoek, ook zonder enig aanvullend bewijs.
II. Als dit noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van het bevel celafname van een veroordeelde, kan de OvJ de aanhouding van die veroordeelde bevelen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

12.   Met betrekking tot een identificatiefouillering geldt:

a.    Dat ook door de verdachte meegevoerde voorwerpen onderzocht mogen worden.

b.    Dat de identificatiefouillering uitsluitend bij aanhouding mag worden toegepast.

c.    Dat de identificatiefouillering niet in het openbaar mag worden toegepast.

d.    Dat van een identificatiefouillering pv moet worden opgemaakt dat aan de OvJ ter beschikking moet worden gesteld.

13.   Welke stelling is juist?
I. Een opsporingsonderzoek aan de kleding op basis van het Wetboek van Strafvordering van een verdachte (art. 56 Sv) mag door een opsporingsambtenaar uitsluitend plaats vinden bij een aangehouden verdachte.

II. Voor een opsporingsonderzoek aan de kleding zijn ernstige bezwaren vereist.


a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

14.   M.b.t een veiligheidsfouillering geldt dat deze onder voorwaarden:

a.    Ook toegepast mag worden op meegevoerde bagage.

b.    Uitsluitend op bevel van een hulpOvJ toegepast mag worden.

c.    Uitsluitend bij onmiddellijk levensgevaar toegepast mag worden.

d.    Onder voorwaarden toegepast kan worden bij iedere persoon, ook bij gevaar voor de veiligheid van derden.

15.   Welke stelling is juist?
I.
Ook de enkele insluiting in een cel kan reden zijn tot toepassing van een veiligheidsfouillering aan de kleding van de in te sluiten persoon.
II. Een bepaalde omgeving waarin een verdachte van diefstal door de politie aangehouden wordt en het overbrengen van die verdachte per surveillanceauto kunnen een veiligheidsfouillering aan de kleding rechtvaardigen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.