25 VRAGEN VERDACHTE T/M BIJZONDERE WETTEN

OVERALL 2

Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 2 t/m 11
of
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 2 t/m 10

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

 

1.    Welke stelling is juist?
I. Tot het ondergaan van ivs of vh door een minderjarige kan elke daartoe geschikte plaats worden aangewezen.
II. Art. 27 van de Ambtsinstructie verplicht de ambtenaar uit eigen beweging n z.s.m. een familielid of een huisgenoot van de ingesloten minderjarige op de hoogte van de insluiting te stellen, tenzij onderzoeksbelangen zich hiertegen verzet.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

2.    Een raadsman vraagt na het bezoek aan zijn clint (de verdachte) tijdens het ophouden voor onderzoek om inzage van de processtukken. Welke stelling is juist?
I. De verdachte n diens raadsman hebben pas vanaf de ivs het recht om van de processtukken kennis te nemen.
II. De hulpOvJ is bevoegd om in het belang van het onderzoek de kennisneming van bepaalde stukken aan de verdachte en diens raadsman te onthouden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

 

3.    Een verdachte heeft tijdens het verhoor door de politie een kennelijk leugenachtige verklaringen afgelegd. Welke stelling is juist?
I. Een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte kan als bewijs tegen hemzelf gebruikt worden.
II. Het bewijs dat een verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard dient uit een andere bron te komen dan uit een verklaring van de verdachte zelf.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

4.    Welke stelling is juist?
I. Als een getuige ter zitting gebruik heeft gemaakt van zijn verschoningsrecht dan mag de rechter de eerder afgelegde verklaring van deze getuige bij de politie (opgenomen in een proces-verbaal) niet als bewijs gebruiken.
II. De wetgever heeft opsporingsambtenaren en rechters verplicht om personen die door hen als getuige worden gehoord uitdrukkelijk te wijzen op een mogelijk verschoningsrecht.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

5.    Onrechtmatig verkregen bewijs:

a.    Kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

b.    Kan niet leiden tot strafmatiging.

c.    Mag door de rechter niet als bewijs gebruikt worden.

d.    Alleen vruchten van onrechtmatig verkregen bewijs mogen door de rechter niet als bewijs gebruikt worden.

6.    Omdat er twijfel ontstaat over de juistheid van de opgegeven personalia van de verdachte van een vernieling wordt door n van de opsporingsambtenaren aan die verdachte gevraagd om identificatie. Als de verdachte aanstalten maakt om weg te lopen beveelt de opsporingsambtenaar de verdachte stil te blijven staan.

a.    De verdachte is verplicht op vragen naar zijn personalia te antwoorden.

b.    De verdachte is ter zake vernieling niet verplicht zich op bevel van de opsporingsambtenaar te identificeren.

c.    Het opgeven van een valse naam is niet strafbaar.

d.    Voor het opgeven van een valse naam mag buiten heterdaad staande gehouden worden.

7.    Voor nader onderzoek moet een verdachte verder van zijn vrijheid beroofd worden. Welke stelling is juist?
I. Ook een lagere opsporingsambtenaar is bevoegd een verdachte op te houden voor onderzoek.
II. Gebruikt men een aanzienlijk deel van de nachtelijke uren (tussen 00.00 en 09.00 uur) voor onderzoek waardoor de verdachte van diens nachtrust wordt beroofd, dan moet die gebruikte tijd van de ter beschikking staande onderzoekstijd afgetrokken worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

8.    De opsporingsambtenaren vragen zich nog af in welke gevallen welke onderzoeksmaatregelen bevolen mogen worden. Welke stelling is juist?
I. Maatregelen in het belang van het onderzoek mogen ook bevolen worden tegen een zich in vrijheid bevindende verdachte.
II. Onderzoeksmaatregelen zijn allesomvattend opgesomd in het Wetboek van strafvordering.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

9.    De verdachte zal voor een vordering inbewaringstelling worden geleid voor de RC. Binnen welke termijn moet die voorgeleiding plaatsvinden?

a.    3 dagen en 18 uur, te rekenen vanaf de aanhouding van de verdachte.

b.    3 dagen en 18 uur, te rekenen vanaf de aankomst van de verdachte op de plaats onderzoek.

c.    3 dagen, te rekenen vanaf de aanhouding van de verdachte.

d.    Uiterlijk binnen de verlenging van de inverzekeringstelling.

10. Een verdachte terzake belaging is geschorst uit diens inbewaringstelling. Kort na die schorsing overtreedt hij de aan hem door de rechter opgelegde bijzondere voorwaarde dat hij niet meer in de straat waar het slachtoffer van de belaging woont mag komen. Welke stelling is juist?
I. Dit soort bijzondere voorwaarden (straatverbod) is niet toegestaan.
II. De opsporingsambtenaar die constateert dat de verdachte de opgelegde voorwaarden niet nakomt, is zelfstandig bevoegd tot aanhouding van de verdachte.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

11. Welke stelling is juist?
I. Ook een lagere opsporingsambtenaar is ingevolge het Wetboek van Strafvordering bevoegd tot onderzoek aan het lichaam.
II. Alleen de hulpOvJ is bevoegd tot het bevelen van een onderzoek in het lichaam.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

12. Welke stelling is juist?
I. Schouw geeft geen bevoegdheid tot heimelijk inkijken.
II. Onder de bijzondere opsporingsbevoegdheid sporen veiligstellen is begrepen de bevoegdheid verpakkingen open te maken.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

13. Een particuliere bewaker van een grootwinkelbedrijf houdt op heterdaad een winkeldievegge aan. Is deze bewaker bevoegd tot inbeslagneming van de bij de winkeldiefstallen gestolen goederen?

a.    Nee, een burger is sinds een recente wetswijziging niet meer bevoegd tot ibn.

b.    Neen, tenzij niet op de komst van een opsporingsambtenaar gewacht kan worden.

c.    Ja, ook als de bewaker voor de ibn een kledingonderzoek moet verrichten.

d.    Ja, mits de verdachte de goederen met zich voert.

14. De RC verricht onderzoekshandelingen in een drugszaak. Na een doorzoeking in die zaak in de woning van de verdachte komt er uit diverse bronnen betrouwbare informatie binnen dat er een nog een grote partij drugs verborgen ligt in een loods van de verdachte. De hulpOvJ besluit dat de loods met spoed moet worden doorzocht ter ibn. Welke stelling is juist?
I. De hulpOvJ is bij dringende noodzakelijkheid n mits het optreden van de OvJ niet kan worden afgewacht bevoegd tot doorzoeking van de loods. Meer eisen worden niet gesteld.
II. Nu de RC reeds onderzoekshandelingen verricht moet de OvJ een vordering doorzoeking bij de RC moeten doen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

15. Welke stelling is juist?
I. De Algemene Wet op het Binnentreden geeft ook bevoegdheden tot binnentreden.
II. De Algemene Wet op het Binnentreden is in geval een woning wordt betreden steeds van toepassing, tenzij een andere wet daarvan afwijkt.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

16. Twee agenten zijn naar een woning gezonden in verband met een vermoedelijk gaslek in die woning. Ter plaatse gekomen zien de agenten de achterdeur openstaan en ruiken ze inderdaad een sterke gaslucht afkomstig uit de betreffende woning. Er is kennelijk niemand in de woning aanwezig. Is er voor het binnentreden in die woning een schriftelijke machtiging vereist?

a.    Nee, wel is een mondelinge machtiging van de (hulp)OvJ vereist.

b.    Ja, er is immers sprake van een woning.

c.    Nee, omdat de achterdeur van de woning open staat.

d.    Nee, omdat voor dit soort gevallen een uitzondering is opgenomen in de Algemene Wet op het Binnentreden.

17. Ingevolge art. 7 Algemene Wet op het Binnentreden kan tussen middernacht en 6 uur 's morgens slechts zonder toestemming van de bewoner worden binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Welke stelling is juist?
I. Deze bepaling is als regel ook van toepassing als de eerste stap vr middernacht in de woning is gezet en de binnentreders ook na middernacht in de woning willen blijven.
II. Indien na het uitschrijven van de machtiging de aanvankelijk aanwezig geachte n op de machtiging vermelde dringende noodzakelijkheid vervalt mag nog steeds op grond van de al uitgeschreven machtiging binnengetreden worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

18. Met betrekking tot de machtiging tot binnentreden geldt dat:

a.    Deze bij verdenking van een vh-misdrijf en dringende noodzaak mondeling gegeven mag worden mits dit later schriftelijk wordt vastgelegd.

b.    De machtiging tot binnentreden afgegeven voor een bepaald pand ook het binnentreden dekt in andere woningen in het betreffende perceel die de gemachtigde pas na het binnentreden tegenkomt.

c.    Bij een vermoeden van meer woningen in een bepaald perceel als omschrijving van de binnen te treden woningen in de machtiging gebruikt mag worden de woning(en) gelegen in perceel (..). In dat geval mogen alle woningen gelegen in dat pand betreden worden.

d.    Als de geldigheidsduur van de machtiging in dagen is aangegeven de machtiging verloopt om 00.00 uur van de laatst aangegeven dag. De ambtenaren zullen dan de woning moeten verlaten, een nieuwe machtiging binnentreden bezitten of toestemming tot verder verblijf moeten krijgen.

19. Voor stelselmatige observatie geldt:

a.    Dat alleen verdachten stelselmatig mogen worden geobserveerd.

b.    Dat de wettelijke regels voor stelselmatige observatie gelden voor zowel het observeren van personen als voorwerpen.

c.    Dat voor stelselmatige observatie geen woning betreden mag worden.

d.    Dat stelselmatige observatie alleen door speciaal opgeleide opsporingsambtenaren mag plaatsvinden.

20. Welke stelling is juist?
I. Voor het tappen van niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst is een bevel van de RC vereist.
II. Ook ter zake zware overtredingen mag getapt worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

21. Welke stelling is juist?
I. Misdrijven die geen klachtmisdrijf zijn mogen ook ambtshalve vervolgd worden (geen aangifte vereist).
II. Relatieve klachtmisdrijven zijn door de wetgever aangewezen misdrijven die vanwege een bepaalde familierelatie tussen het slachtoffer en de verdachte niet of uitsluitend op klacht opgespoord of vervolgd mogen worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

22. Welke stelling is juist?
I. De RC is ambtshalve belast met de uitoefening van toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot het opsporingsonderzoek.
II. RC waakt tegen nodeloze vertraging van het opsporingsonderzoek.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

23. Wat kan de RC vorderen, bevelen of machtigen?

a.    Conservatoir beslag machtigen.

b.    Telefoontap bevelen.

c.    Verstrekken inlichtingen van provider telecommunicatie vorderen.

d.    Nasporingen opdragen en bevelen geven aan de OvJ.

24. Welke stelling is juist?
I. De verdachte heeft het recht om alsnog een bloedproef te mogen ondergaan als hij binnen een uur terugkomt op zijn aanvankelijke weigering tot het ondergaan van die bloedproef.
II. Bestuurder conform de WVW is ook degene die in een rijdende auto vanaf de bijrijdersplaats aan de handrem trekt.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

25. Welke stelling is juist?
I. Voor aangewezen gedragingen in de zin van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (de wet Mulder) is niet van belang of er bij die gedragingen letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
II. Ook de wet Mulder kent strafbare feiten.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.