20 VRAGEN VERDACHTE T/M BIJZONDERE WETTEN

OVERALL 4

Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 2 t/m 11
of
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 2 t/m 10

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

 

1.    Welk misdrijf is géén absoluut of relatief klachtmisdrijf?

a.    Belediging van een willekeurige burger.

b.    Oplichting.

c.    Belaging.

d.    Discriminatie.

2.    Wat valt onder het belang van het onderzoek voor een inverzekeringstelling?

a.    Het zo spoedig mogelijk in persoon aan de verdachte uitreiken van mededelingen over de strafzaak.

b.    Nader verhoor van de verdachte.

c.    Voorgeleiding van de verdachte ter inbewaringstelling aan de rechter-commissaris.

d.    Alternatief a, b én c.

3.    Welke stelling is juist?
I. De regeling beginnend bestuurder (alcoholwetgeving) is ook van toepassing op de bestuurder die géén rijbewijs heeft.
II. Ook het rijbewijs van een bromfietser kan onder omstandigheden ingevorderd worden.

a. Uitsluitend stelling I is juist.
b. Uitsluitend stelling II is juist.
c. Stelling I en II zijn juist.
d. Stelling I en II zijn niet juist.

4.    Welke stelling is juist?
I. Het bewijs van een leugenachtige verklaring van een verdachte moet wel uit ander bewijsmateriaal komen dan uit een bekentenis daarover van de betreffende verdachte zelf.
II. Het bewijs van een leugenachtige verklaring van de verdachte mag bestaan uit door de verdachte aan derden gedane mededelingen.
a. Uitsluitend stelling I is juist.
b. Uitsluitend stelling II is juist.
c. Stelling I en II zijn juist.
d. Stelling I en II zijn niet juist.

5.    Over het wettelijk bewijsstelsel in Nederland geldt

a.    Dat alle bewijsmiddelen in het Wetboek van strafvordering staan.

b.    Dat ook de Opiumwet ter aanvulling op het Wetboek van strafvordering bewijsmiddelen opsomt.

c.    Dat ook feiten of omstandigheden van algemene bekendheid bewezen moeten worden.

d.    Dat er in het wetboek van Strafvordering géén regels over bewijsminima zijn opgenomen.

6.    Welke stelling is juist?
I. Ambtshalve vervolgbare strafbare feiten zijn feiten die ook opgespoord en vervolgd mogen worden zonder klacht of aangifte en zelfs tegen de wil van het slachtoffer.
II. Een klacht bestaat uit een aangifte met een verzoek tot vervolging.
a. Uitsluitend stelling I is juist.
b. Uitsluitend stelling II is juist.
c. Stelling I en II zijn juist.
d. Stelling I en II zijn niet juist

7.    Een opsporingsambtenaar neemt een aangifte van vernieling op. Eén van de verdachten is de zoon van het slachtoffer. Welk van onderstaande alternatieven is juist?

a.    Vernieling is een absoluut klachtmisdrijf.

b.    Klachtgerechtigde is uitsluitend degene tegen wie het misdrijf is begaan.

c.    Beslissend voor de bevoegdheid tot het indienen van een klacht is de leeftijd en/of gesteldheid van het slachtoffer ten tijde van begaan van het misdrijf.

d.    Bij een bekende verdachte terzake een relatief klachtmisdrijf moet in de klacht worden opgenomen dat de klager de vervolging verlangt van die bepaalde verdachte.

8.    Na een langdurig en diepgaand onderzoek terzake een kapitaal delict heeft de politie een verdachte aangehouden. Welk alternatief is juist?

a.    De proceshouding van de verdachte (bijv. zwijgen en onaannemelijk verklaren) mag niet van invloed zijn op het bewijs, de strafmaat en/of een gevoerd verweer in de strafzaak van die betreffende verdachte.

b.    Het tegen de verdachte als bewijs gebruiken van een kennelijk leugenachtige verklaring van een ander dan de verdachte zelf is toegestaan.

c.    Een verdachte mag niet verplicht worden tot het meewerken aan zijn eigen veroordeling.

d.    De verklaring van de verdachte moet zoveel mogelijk in diens eigen woorden worden opgenomen.

9.    Welke stelling is juist?
I. Ook het slachtoffer kan op diens verzoek toestemming verleend worden om kennis te nemen van de processtukken.
II. Deze kennisneming kan echter alleen via de OvJ of rechter geregeld worden.
a. Uitsluitend stelling I is juist.
b. Uitsluitend stelling II is juist.
c. Stelling I en II zijn juist.
d. Stelling I en II zijn niet juist

En dan tussendoor even twee vragen over Strafrecht. Van belang voor de dagelijkse praktijk en om U te motiveren om toch vooral ook Strafrecht te bestuderen. Kan vertraging en zelfs vrijspraken bij strafzaken voorkomen.

10. Een verdachte is in bewaring gesteld terzake de verdenking van een uiterst gewelddadige straatroof. Een vriend van de verdachte benadert één van de getuigen en zegt tegen die getuige dat zijn vriend het zeer op prijs zou stellen als de getuige zijn eerder afgelegde verklaring bij de politie in zou trekken.

a.    Dit gedrag levert verdenking van een strafbaar feit op, waarvoor zelfs aanhouding buiten heterdaad en ivs kan plaatsvinden.

b.    Zolang die vriend niet dreigt met één van de misdrijven genoemd in art. 285 Sr (bedreiging) kan niet strafrechtelijk worden opgetreden tegen die vriend.

c.    Voor strafbaarheid van die vriend is vereist dat de getuige zijn eerder afgelegde verklaring ook daadwerkelijk intrekt.

d.    Voor strafbaarheid van die vriend is vereist dat de eerder afgelegde verklaring van de getuige bij een rechter is afgelegd.

11. A koopt via internet een mobieltje voor een marktconforme (reële) prijs van een met naam en toenaam bekende persoon. De identiteit van de verkoper was door A gecontroleerd aan de hand van een identiteitsbewijs. Thuisgekomen met de gekochte telefoon krijgt A door het bekijken van bestanden op de telefoon al snel en stevig argwaan dat de telefoon gestolen is maar besluit gelet op de hoge aanschafprijs de telefoon toch maar te houden. De telefoon blijkt inderdaad gestolen te zijn. A wordt aangehouden voor heling en verteld de politie hoe hij aan de telefoon is gekomen en van wie hij de telefoon heeft gekocht.

a.    Voor strafbare heling gepleegd door A is vereist dat die A ten tijde van de verwerving van de telefoon wist dat die telefoon door misdrijf was verkregen.

b.    Onder ‘winstbejag’ valt ook de bedoeling van de verdachte een gekocht goed niet kwijt te raken zonder de dan opgelopen schade (aanschafprijs) financieel gecompenseerd te krijgen.

c.    Onder het voor opzetheling vereiste ‘weten’ valt geen voorwaardelijk opzet.

d.    Poging tot heling is niet strafbaar.

12. Wat zijn de wettelijke vereisten voor inbeslagneming:

a.    Dat de inbeslagneming redelijkerwijs vereist is voor het onderzoek en een kennisgeving van inbeslagneming wordt opgemaakt.

b.    Dat het in beslag te nemen voorwerp vatbaar is voor inbeslagneming en een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt.

c.    Dat het in beslag te nemen voorwerp vatbaar en de beslaglegger bevoegd is.

d.    Dat het in beslag te nemen voorwerp vatbaar is, de beslaglegger bevoegd is én er een redelijk vermoeden van schuld terzake een gepleegd strafbaar feit bestaat bij degene onder wie in beslag genomen wordt.

13. De politie krijgt een melding van fors huiselijk geweld. Ter plaatse aangekomen om 04.00 uur ’s nachts horen de agenten uit de betreffende woning ijselijk gehuil van een vrouw en een zware mannenstem die zegt te stoppen met huilen anders wordt de honkbalknuppel gepakt. Op aanbellen wordt niet opengedaan. Agenten willen ter aanhouding van de verdachte de betreffende woning zonder toestemming van de bewoner betreden. Wat vereist de Algemene wet binnentreden voor dit binnentreden?

a.    Alleen een schriftelijke machtiging binnentreden.

b.    Alleen een schriftelijke machtiging binnentreden en dringende noodzakelijkheid.

c.    Dringende noodzakelijkheid en, als krachtens een machtiging wordt binnengetreden, vermelding daarvan in de machtiging.

d.    Een schriftelijke machtiging en vergezelling door een hulpOvJ.

14. Een hulpofficier wil ter aanhouding van een verdachte én ter inbeslagneming een pand betreden. In welke gevallen is daartoe een schriftelijke machtiging binnentreden vereist?

a.    Als het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht.

b.    Als er binnengetreden moet worden in een loods.

c.    Als een woning zonder toestemming betreden moet worden, ook als dat betreden door een openstaande toegangsdeur kan plaats vinden.

d.    Een hulpofficier van justitie mag als zodanig ter aanhouding zonder machtiging alle plaatsen betreden.

15. Een dag na de aanhouding van een straatrover willen de agenten die met het opsporingsonderzoek belast zijn ook bij de verdachte thuis in zijn woning kijken of daar gestolen spullen liggen.

a.    Dit mag alleen met toestemming van de verdachte.

b.    Als de verdachte toestemming heeft gegeven dan is de mening van eventuele andere bewoners over dat binnentreden niet van belang.

c.    Zonder toestemming van de verdachte heeft de politie alleen een bevoegdheid ter inbeslagneming plaatsen te betreden als het ontdekking op heterdaad betreft (bijv. bij voortdurende delicten zoals heling).

d.    Een opsporingsambtenaar is ook bij verdenking van een misdrijf waarop ingevolge art. 67 lid 1 Sv voorlopige hechtenis staat bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe een woning te betreden.

16. Twee agenten krijgen de opdracht te gaan naar een parkeerterrein alwaar zou worden ingebroken in auto’s. Ter plaatse aangekomen zien de agenten een hun ambtshalve bekende veelpleger uit een auto stappen. De agenten zien dat één van de ruiten van de betreffende auto ingeslagen is. De agenten houden de veelpleger staande en onderwerpen hem aan een opsporingsonderzoek aan de kleding. In zijn jas en in een door de veelpleger met zich gevoerde tas treffen de agenten in totaal 5 navigatieapparaten aan. De veelpleger wordt vervolgens aangehouden. Welke stelling is juist?
I. Ook een niet aangehouden verdachte mag ingevolge het Wetboek van strafvordering ter opsporing aan diens kleding worden onderzocht.
II. Tot het opsporingsonderzoek aan de kleding van een verdachte behoort ook het onderzoek van door de betreffende verdachte meegevoerde tassen.
a. Uitsluitend stelling I is juist.
b. Uitsluitend stelling II is juist.
c. Stelling I en II zijn juist.
d. Stelling I en II zijn niet juist

17. De politie ontdekt op heterdaad een inbraak. De verdachte probeert met een gestolen auto aan zijn aanhouding te ontkomen door na een langdurige en verkeersgevaarlijke achtervolging op een hoofdagent in te rijden. De betreffende opsporingsambtenaar doet bij een collega-opsporingsambtenaar aangifte van poging doodslag en bedreiging.

a.    De aangifte van deze hoofdagent is voldoende wettig bewijs voor veroordeling.

b.    Aan deze verdachte kan voor bedreiging met een motorrijtuig geen ontzegging besturen motorrijtuigen worden opgelegd.

c.    Het rijbewijs van deze verdachte kan niet ingevorderd worden.

d.    Voor een veroordeling van deze verdachte kan volstaan worden met een proces-verbaal van bevindingen van deze hoofdagent.

18. Welke stelling is juist?
I. De verdachte is altijd bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.
II.
Een aangehouden verdachte heeft het recht om voorafgaand aan zijn verhoor een raadsman te raadplegen én het recht op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor.
a. Uitsluitend stelling I is juist.
b. Uitsluitend stelling II is juist.
c. Stelling I en II zijn juist.
d. Stelling I en II zijn niet juist

19. Twee politieambtenaren worden gezonden naar een parkeerterrein alwaar een bekende veelpleger in een auto zou hebben ingebroken. Ter plaatse is de verdachte al door de aangever/getuige aangehouden en aan de kleding onderzocht. In de jas van de verdachte werden daarbij enkele kennelijk zojuist gestolen autoradio’s aangetroffen. De verdachte wordt naar het politiebureau overgebracht en vervolgens abusievelijk te lang opgehouden voor onderzoek voordat de hulpOvJ over diens inverzekeringstelling kan beslissen. Welk alternatief is juist?

a.    Een verdachte die te lang is opgehouden voor onderzoek mag niet meer in verzekering gesteld worden.

b.    Een verdachte wiens inverzekeringstelling door de RC onrechtmatig wordt bevonden kan toch door die RC in bewaring worden gesteld.

c.    Ook een burger mag een verdachte op heterdaad aanhouden en daarbij aan de kleding onderzoeken in afwachting van het optreden van de politie.

d.    Door een burger verkregen onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden uitgesloten van de bewijsvoering.

20. Mag een hoofdagent van politie een door hem ter zake een misdrijf uit de Opiumwet staande gehouden verdachte aan het lichaam onderzoeken?

a.    Ja, ingevolge het Wetboek van strafvordering.

b.    Ja, het betreft hier immers een misdrijf.

c.    Nee, tenzij er ernstige bezwaren bestaan tegen deze verdachte.

d.    De Opiumwet geeft geen bevoegdheid tot onderzoek aan het lichaam.