12 VRAGEN OVERIGE BEVOEGDHEDEN UIT SV

Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 10
of
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 9
Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

 

1.    Welke stelling is juist?
I. Aan de RC, de OvJ, de hulpOvJ en de opsp. ambt. komen onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de artikelen 96b, 96c, 1e, 2e en 3e lid, 97, 1e tot en met 4e lid, en 110, 1e en 2e lid Sv (MH: bevoegdheden doorzoeking ter ibn), de bevoegdheid toe tot het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd.
II. De bevoegdheid tot doorzoeking mag pas worden toegepast als niet volstaan kan worden met andere bevoegdheden (zoals het vorderen van gegevens of het vorderen van de uitlevering van een voorwerp ter ibn).

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

2.    Welke stelling is juist?
I. De doorzoeking gegevens (art. 125i Sv) en ook de netwerkzoeking (art. 125j Sv) dienen gericht te zijn op reeds opgeslagen of vastgelegde gegevens (en dus niet toekomstige gegevens).
II. Ook gegevens die op het moment van de doorzoeking binnenkomen mogen worden vastgelegd.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

3.    Welke stelling is juist?
I. De schouw is een op ibn gericht dwangmiddel.
II. Ook de hulpOvJ is bevoegd tot schouw.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

4.    Aan het politiebureau komt een slachtoffer aangifte doen van een klachtmisdrijf. Welk alternatief is juist?

a.    Een klacht is een schriftelijke aangifte.

b.    De aangifte moet opgenomen worden door de hulpOvJ.

c.    Een klacht is een aangifte met een verzoek tot vervolging.

d.    Ambtshalve vervolgbare feiten kunnen ook opgespoord worden zonder klacht of aangifte maar nooit tegen de wil van het slachtoffer.

5.    Wat is een absoluut klachtmisdrijf?

a.    Belaging (stalking) (art. 285b Sr).

b.    Afpersing (art. 317 Sr).

c.    Bedreiging (art. 285 Sr).

d.    Vernieling van een gebouw (art. 352 Sr).

6.    Wat is géén relatief klachtmisdrijf?

a.    Diefstal (art. 310 Sr).

b.    Vernieling (art. 350 Sr).

c.    Afpersing (art. 317 Sr).

d.    Mishandeling (art. 300 Sr).

7.    Welke stelling is juist?
I. De klachttermijn neemt bij relatieve klachtdelicten pas een aanvang een dag nadat de identiteit van de verdachte aan de tot klachtgerechtigde bekend wordt.
II. Geregistreerd partnerschap wordt gelijkgesteld met het huwelijk en geregistreerde partner met echtgenoot.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

8.    Voor het intrekken van een klacht geldt:

a.    Dat intrekking niet mogelijk is.

b.    Dat intrekking uitsluitend mogelijk is binnen twee weken na indienen van de klacht.

c.    Dat intrekking bij dezelfde hulpOvJ moet plaatsvinden als waar de klacht gedaan werd.

d.    Dat met het opsporingsonderzoek niet gewacht behoeft te worden tot de termijn waarbinnen intrekking mogelijk is, is verstreken.

9.    Welke stelling is juist?
I. Een klacht terzake belaging kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.
II. Beslissend voor de bevoegdheid tot het indienen van een klacht is de leeftijd en/of gesteldheid van het slachtoffer ten tijde van het misdrijf.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

10. Met betrekking tot klachtdelicten geldt:

a.    Dat ook opsporingshandelingen terzake van een klachtdelict zonder klacht achterwege moeten blijven, tenzij de tot klachtgerechtigde anders wenst.

b.    Dat het niet voldoen aan de voor een klachtvereiste regels leidt tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ.

c.    Dat de RC bij een absoluut klachtmisdrijf een machtiging tot vervolging moet geven.

d.    Dat ook een klacht ingediend door één van de wettelijke vertegenwoordigers van een kind dat nog geen 16 jaar is volstaat voor vervolging, zelfs al geeft de andere vertegenwoordiger daarvoor géén toestemming.

11. Welke stelling is juist?
I. Bij het niet nakomen van een door de RC gegeven bevel tot handhaving openbare orde is iedere opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te houden en opnieuw te geleiden voor de OvJ.
II. Aanhouding van een uit de vh geschorste verdachte terzake het niet nakomen van schorsingsvoorwaarden moet altijd via de OvJ plaatsvinden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

12. Welke stelling is juist?
I. De opsporingsambtenaar is bevoegd ter aanhouding van de verdachte terzake het niet nakomen van een door de RC gegeven bevel ter handhaving van de openbare orde, elke plaats te betreden én ter aanhouding te doorzoeken.
II. Voor de in stelling I genoemde  doorzoeking is een machtiging van de RC vereist.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.