25 VRAGEN DWANGMIDDELEN PLAATSEN

Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 7
of
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 7

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

 

1.    Welke stelling is juist?
I. Ook in bijzondere wetgeving zijn bevoegdheden tot het betreden van plaatsen opgenomen.
II. Ook als met toestemming in een woning binnengetreden wordt, dient de opsporingsambtenaar zich voorafgaand te legitimeren.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

2.    Twee agenten willen een verdachte van zware mishandeling in diens woning aanhouden. De agenten vragen zich af of ze bevoegd zijn tot het binnentreden zonder toestemming in de betreffende woning. Welke stelling is juist?
I. Voor de bevoegdheid tot binnentreden moet de Awbi geraadpleegd worden.
II. De Awbi is altijd van toepassing, tenzij een andere wet van de Awbi afwijkt.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.
 

3.    Ter plaatse aangekomen vragen de agenten zich af of er in het betreffende geval wel sprake is van een woning. Welk alternatief is juist?

a.    De Awbi bevat een definitie van het begrip woning.

b.    Voor wat betreft het begrip 'woning' hanteert de HR een sluitende definitie.

c.    Ook de woning die slechts gedurende beperkte tijd tot wonen is bestemd dient als woning beschouwd te worden.

d.    Een kamer in een asielzoekerscentrum wordt niet als woning beschouwd.
 

4.      Agenten willen tot aanhouding in een woning overgaan. Welke stelling is juist?
 I. Als de agenten zonder machtiging tot binnentreden de betreffende woning ter aanhouding willen betreden, dan dient daarvoor als regel toestemming aan de bewoner te worden gevraagd.
II. Toestemming moet ook gevraagd worden als de toegangsdeur van de woning openstaat.

a.     Uitsluitend stelling I is juist.

b.     Uitsluitend stelling II is juist.

c.     Stelling I en II zijn juist.

d.     Stelling I en II zijn niet juist.

5.      Ter aanhouding van de verdachte bellen de twee agenten aan bij diens woning. De verdachte verschijnt in de deuropening. Omdat hij in de gaten heeft dat de politie hem wil aanhouden, wil hij de deur dicht gooien. Eén van de agenten weet dat echter te voorkomen door z'n voet over de drempel tegen de deur te zetten. Is hier sprake van rechtmatig optreden van de politie?

a.     Nee, tenzij de OvJ een bevel aanhouding heeft gegeven.

b.     Ja, voor aanhouding mag immers een woning betreden worden.

c.     Nee, tenzij de agenten voorzien zijn van een schriftelijke machtiging binnentreden.

d.     Ja, het betreft hier immers geen binnentreden maar betreden.

6.      Met toestemming van de ouders van de minderjarige verdachte komen de agenten (zonder machtiging binnentreden) in de woning en zien op de kamertafel een stiletto liggen waarmee de verdachte eergisteren vermoedelijk een zware mishandeling heeft gepleegd. Zij willen die stiletto in beslag nemen. Op dat moment willen de ouders van de verdachte dat de agenten direct uit de woning gaan. Welke stelling is juist?
I. De agenten moeten de woning verlaten.
II. De in beslag te nemen stiletto mag op weg naar de uitgang in beslag genomen  worden.

a.     Uitsluitend stelling I is juist.

b.     Uitsluitend stelling II is juist.

c.     Stelling I en II zijn juist.

d.     Stelling I en II zijn niet juist.

7.      Nadat de agenten de aangehouden verdachte hebben verhoord, bekent deze samen met zijn vader in verdovende middelen (XTC) te handelen én dat er in de slaapkamer van zijn vader nog een aanzienlijke handelsvoorraad (een paar duizend pillen) in dozen op de grond staat. Vader is een bekende recidivist op het gebied van de handel in verdovende middelen. Vervolgens begeeft een aantal opsporingsambtenaren zich, voorzien van een schriftelijke machtiging binnentreden ter ibn, naar de betreffende woning. Zonder aan te bellen en zonder legitimatie gaan de agenten met grote spoed door de openstaande achterdeur de woning binnen. Dit binnentreden lijkt:

a.     Rechtmatig, gelet op het opsporingsbelang.

b.     Rechtmatig, aangezien de opsporingsambtenaren voorzien zijn van een machtiging binnentreden.

c.     Disproportioneel en, gelet op de jurisprudentie van de HR, dus onrechtmatig.

d.     Onrechtmatig, aangezien er geen legitimatie en doelmededeling plaatsvond.

8.      Voorzien van een machtiging binnentreden ter ibn van de verdovende middelen treffen opsporingsambtenaren in de keuken van de betreffende woning ook een vuurwapen en kennelijk gestolen goederen aan. Welke stelling is juist?
I. Als een opsporingsambtenaar is binnengetreden met een machtiging binnentreden voor een bepaald doel, dan mag hij géén andere bevoegdheden uitoefenen die nodig zijn voor een onverwacht aangetroffen situatie.
II. Omdat de machtiging ter ibn van verdovende middelen was uitgeschreven moeten de opsporingsambtenaren zich eerst voorzien van een machtiging ter ibn van het vuurwapen en de kennelijk gestolen goederen.

a.     Uitsluitend stelling I is juist.

b.     Uitsluitend stelling II is juist.

c.     Stelling I en II zijn juist.

d.     Stelling I en II zijn niet juist.

9.      Twee agenten zijn naar een echtelijke ruzie gezonden. Ter plaatse horen zij uit de woning het geluid van een gillende vrouw en kennelijk doffe maar harde stompen. Korte tijd later wordt het gegil minder, maar het slaan niet. Ook nadat zij aangebeld hebben, blijft het kennelijke geweld doorgaan, opengedaan wordt er niet. Vervolgens gaan de opsporingsambtenaren door een openstaande achterdeur naar binnen. Is er voor dit binnentreden een schriftelijke machtiging vereist?

a.     Nee, omdat de achterdeur van de woning openstond.

b.     Nee, omdat voor dit soort gevallen een uitzondering is opgenomen in de Awbi.

c.     Nee, een mondelinge machtiging van de (hulp)OvJ volstaat.

d.     Ja, er is immers sprake van het binnentreden van een woning.

10.   Welke stelling is juist?
I. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is.
II. Als de politieambtenaar uit stelling I ter hulpverlening binnentreedt dan is geen machtiging tot binnentreden vereist.

a.     Uitsluitend stelling I is juist.

b.     Uitsluitend stelling II is juist.

c.     Stelling I en II zijn juist.

d.     Stelling I en II zijn niet juist.

11.   Een ontsnapte winkeldief verstopt zich met de gestolen goederen (twee videocamera’s) in zijn woning. De politie komt ter plaatse en al snel blijkt dat twee mannen van de bedrijfsbeveiliging zich de toegang tot de woning hebben verschaft maar de verdachte niet kunnen vinden. De politie wil de woning betreden ter aanhouding van de verdachte én ibn van de gestolen camera’s. Welke stelling is juist?
I. Ook burgers zijn ingevolge Sv onder voorwaarden bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
II. Voor binnentreden ter ibn én aanhouding dienen twee afzonderlijke machtigingen uitgeschreven te worden.

a.     Uitsluitend stelling I is juist.

b.     Uitsluitend stelling II is juist.

c.     Stelling I en II zijn juist.

d.     Stelling I en II zijn niet juist.

12.   Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is ingevolge de Awbi een schriftelijke machtiging vereist. Dit geldt niet voor bepaalde personen voor zover bij wet aan hen een bevoegdheid tot binnentreden zonder toestemming is toegekend. Die personen zijn:

a.     Alleen rechters.

b.     Alleen OvJ’s en burgemeesters.

c.     Alleen deurwaarders en rechters.

d.     Deurwaarders, rechters, OvJ’s en burgemeesters.

13.   Een agent vraagt aan een hulpOvJ of deze een machtiging binnentreden ter aanhouding buiten heterdaad wil uitschrijven ter zake een forse openlijke geweldpleging. De verdachte bevindt zich vermoedelijk bij zijn ouders thuis of in zijn eigen woning. Kan de hulpOvJ één machtiging uitschrijven voor twee verschillende woningen?

a.     Ja, het betreft hier immers een misdrijf waarvoor vh is toegelaten.

b.     Ja, zo nodig kan in de machtiging immers worden bepaald dat deze tevens geldt voor ten hoogste drie andere afzonderlijk te noemen woningen.

c.     Nee, omdat het hier om aanhouding buiten heterdaad gaat.

d.     Nee, tenzij het optreden van de OvJ niet afgewacht kan worden.

14.   Wie is ingevolge de Awbi bevoegd tot het uitschrijven van een machtiging binnentreden?

a.     Alleen de hulpOvJ, de OvJ en de burgemeester.

b.     Alleen de hulpOvJ en de OvJ.

c.     Alleen de hulpOvJ, de OvJ en de Advocaat-Generaal.

d.     De hulpOvJ, de OvJ, de Advocaat-Generaal en de burgemeester.

15.   Een opsporingsambtenaar ontdekt op heterdaad een tasjesroof waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De betreffende verdachte vlucht een moskee binnen. Is de opsporingsambtenaar bevoegd om ter aanhouding de moskee te betreden?

a.     Nee, tenzij er op dat moment géén godsdienstuitoefening plaatsvindt.

b.     Ja, omdat er vh voor het strafbare feit is toegelaten.

c.     Ja, ongeacht of er wel of niet op dat moment een kerkdienst aan de gang is.

d.     Nee, een kerk wordt immers in de Awbi genoemd als bijzondere plaats die niet ter opsporing betreden mag worden.

16.   Wie is bevoegd tot het geven van een machtiging binnentreden die betrekking heeft op meer dan vier woningen?

a.     Niemand, er zullen dan meer machtigingen uitgeschreven moeten worden.

b.     Alleen de Advocaat-Generaal.

c.     Alleen de OvJ.

d.     Ook de hulpOvJ, mits er sprake is van opsporing van een misdrijf waarvoor vh is toegelaten, dringende noodzakelijkheid en het optreden van de Advocaat-Generaal of de OvJ niet kan worden afgewacht.

17.   In welke gevallen is de hulpOvJ (onder voorwaarden) bevoegd tot het geven van een machtiging binnentreden die geldt voor iedere woning?

a.     Nooit.

b.     Alleen ter aanhouding of medebrenging.

c.     Alleen ter ibn.

d.     Ter aanhouding, medebrenging én ibn.

18.   Twee opsporingsambtenaren willen in de nachtdienst overgaan tot aanhouding van een tasjesrover die zich in de woning van zijn vriendin heeft verstopt. De vriendin is niet thuis. Welke stelling is juist?

a.     Voor het betreden van een woning tussen middernacht en 06.00 uur, geldt als enige eis dat dit dringend noodzakelijk is.

b.     Ook als vóór middernacht is binnengetreden maar het binnentreden voortduurt na het middernachtelijk uur geldt vanaf middernacht de eis van dringende noodzaak.

c.     Als de verdachte niet in de te betreden woning woont, is geen machtiging binnentreden vereist.

d.     Als na het uitschrijven van de machtiging de aanvankelijk aanwezig geachte én op de machtiging vermelde dringende noodzakelijkheid, vervalt mag toch nog binnengetreden worden tussen middernacht en 06.00 uur.

19.   Welke stelling is juist?
I. Voor het vaststellen of er in het betreffende geval sprake is van een woning, is het oordeel van de binnentredend opsporingsambtenaar doorslaggevend.
II. Mocht blijken dat de opsporingsambtenaar daarbij verontschuldigbaar heeft gedwaald (anders gezegd: zich begrijpelijkerwijs heeft vergist) in zijn oordeel dat er geen sprake was van een woning, dan is er voor niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting geen plaats.

a.     Uitsluitend stelling I is juist.

b.     Uitsluitend stelling II is juist.

c.     Stelling I en II zijn juist.

d.     Stelling I en II zijn niet juist.

20.   Welke stelling is juist?
I. Als het Wetboek van strafvordering het betreden van bijzondere plaatsen (zoals bijv. een kerk) toelaat, dan mag men ingevolge de Awbi deze bevoegdheid altijd uitoefenen, ook al vinden daar op dat moment activiteiten plaats waarvoor de bijzondere plaats bestemd is.
II. Onder die in stelling I bedoelde bijzondere plaatsen vallen onder meer ook
de vergaderruimten van de raad van een gemeente, de ruimten bestemd voor godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard en ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden.

a.     Uitsluitend stelling I is juist.

b.     Uitsluitend stelling II is juist.

c.     Stelling I en II zijn juist.

d.     Stelling I en II zijn niet juist.

21.   Hoelang blijft een machtiging tot binnentreden van kracht?

a.     Tot en met de derde dag na die waarop zij is gegeven.

b.     Gedurende één week.

c.     Gedurende één maand.

d.     Totdat de hulpOvJ of OvJ de machtiging weer ingetrokken heeft.

22.   Als er binnengetreden moet worden in een woning bij afwezigheid van de bewoner dan moet ingevolge de Awbi aan de volgende voorwaarde(n) voldaan zijn:

a.     Uitsluitend dringende noodzakelijkheid.

b.     Dringende noodzakelijkheid en als krachtens een machtiging wordt binnengetreden, dient de machtiging dit ook uitdrukkelijk te bepalen.

c.     Vergezelling door een hulpOvJ.

d.     Binnentreden is dan uitsluitend toegestaan tussen 09.00 uur en 24.00 uur.

23.   Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden:

a.     Mag zich zo nodig ook de doorgang door middel van braak/verbreking in de woning verschaffen, mits het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist.

b.     Mag zich wél de toegang tot maar niet de doorgang in de woning verschaffen.

c.     Mag zich niet laten vergezellen door degene die de machtiging heeft gegeven.

d.     Mag zich niet door een burger laten vergezellen.

24.   Met betrekking tot de machtiging binnentreden geldt:

a.     Dat deze bij spoed ook mondeling gegeven mag worden.

b.     Dat de machtiging tot binnentreden afgegeven voor een bepaald pand ook geldt voor het binnentreden in andere woningen in het betreffende perceel die de gemachtigde eerst na het binnentreden tegenkomt.

c.     Dat bij een vermoeden van meer woningen in een bepaald perceel als omschrijving van de binnen te treden woningen in de machtiging gebruikt kan worden ‘de woning(en) gelegen in perceel (..)’ en dat in dat geval alle woningen gelegen in dat pand betreden mogen worden.

d.     Dat als de geldigheidsduur van de machtiging in dagen is aangegeven de machtiging om 24.00 uur van de laatst aangegeven dag verloopt.

25.   Welk alternatief is juist?

a.     De hulpOvJ is bevoegd een machtiging uit te schrijven voor maximaal zes woningen zonder dat daaraan nadere voorwaarden worden gesteld.

b.     Binnentreden zonder toestemming van de bewoner in diens woning tussen middernacht en 06.00 uur is mogelijk als de machtiging dat bepaalt. Verdere eisen worden niet gesteld.

c.     Een hotelkamer wordt pas als woning beschouwd als daar meerdere nachten verbleven wordt.

d.     In de Awbi zijn geen bepalingen verwerkt over het binnentreden ‘tegen de wil’ van de bewoner.