25 VRAGEN VERDACHTE

Zakboek Pv en Bewijsrecht (enkele vragen) en
Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ hoofdstuk 2

of

Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de Opsporingsambtenaar hoofdstuk 2

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com


1.            Welke stelling is juist?
I. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen.
II. Een verdachte is niet verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

2.            Art. 27 lid 1 definieert de verdachte kort gezegd als ‘degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit’.

a.    De feiten of omstandigheden genoemd in art. 27 lid 1 Sv moeten naar objectieve maatstaven gemeten voldoende grond opleveren voor de verdenking van het plegen van een strafbaar feit.

b.    De rechter moet nagaan of de opsporingsambtenaar op basis van de feiten die ten tijde van de terechtzitting bekend zijn, tot de conclusie kon komen dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.

c.    ‘Enig’ strafbaar feit vereist dat de vermoedelijk overtreden wetsbepaling kan worden aangegeven.

d.    Een verdenking moet op meer feiten of omstandigheden berusten.

3.            Welke stelling is juist?
I. In de jurisprudentie wordt erkend dat een politieambtenaar feiten en omstandigheden beter kan waarnemen dan een gemiddelde burger.
II. Het op aanleg of ervaring berustend onderscheidings- en combinatievermogen van een politieambtenaar kan daarbij een rol spelen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

4.            Welke stelling is juist?
I. Doorzoeking is nooit toegestaan op uitsluitend anonieme info.
II. Voor het toepassen van bijzondere opsporingsbevoegdheden ter zake terroristische misdrijven volstaan aanwijzingen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

5.            Voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld geldt het volgende.

a.    Politieopleiding, ervaring en plaatselijke bekendheid van de opsporingsambtenaar zijn daarbij niet van belang.

b.    Ook feiten van algemene bekendheid kunnen aan dat vermoeden een bijdrage leveren.

c.    Het uitsluitend aanwezig zijn van CI-informatie kan niet tot een redelijk vermoeden leiden.

d.    Een verdenking wordt met terugwerkende kracht onrechtmatig als achteraf blijkt dat de politie zich heeft vergist over het redelijk vermoeden of de strafbaarheid.

6.            Welke stelling is juist?
I. Uitsluitend als een verdachte wordt aangehouden moet hem verteld worden van welk strafbaar feit hij verdacht wordt.
II. Ook aan de verdachte die niet is aangehouden moet, voorafgaand aan zijn eerste verhoor, mededeling gedaan worden van het recht op rechtsbijstand.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

7.            De politie beschikt over recente en betrouwbare CI-info dat de hoofdbewoner van de Jachtlaan 12 te Utrecht, genaamd Alfons, leeftijd ongeveer 45 jaar, vaak inbreekt en de buit van een woninginbraak in zijn woning verbergt (onder meer een televisie en videocamera). Ingevolge Sv is Alfons verdachte terzake diefstal als tegen hem:

a.    Een redelijk vermoeden van schuld bestaat.

b.    Een redelijk vermoeden van schuld bestaat gebaseerd op de ervaring en bekendheid van een opsporingsambtenaar.

c.    Een redelijk vermoeden van schuld bestaat gebaseerd op feiten of omstandigheden.

d.    Een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd.

8.            Kan de CI-info uit de vorige vraag (dat de hoofdbewoner van de Jachtlaan 12 te Utrecht, genaamd Alfons, leeftijd ongeveer 45 jaar, vaak inbreekt en de buit van een woninginbraak in zijn woning aanwezig heeft) een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv opleveren tegen de genoemde Alfons?

a.    Ja, mits de buit door de politie ook wordt aangetroffen.

b.    Ja, ook al blijkt later dat een ander dan Alfons de dader was.

c.    Nee, CI-info kan alleen gecombineerd met andere info een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv opleveren.

d.    Nee, CI-info is immers geen bewijsmiddel.

9.            Tijdens een doorzoeking van voornoemde woning worden inderdaad een gestolen TV en videocamera aangetroffen en Alfons wordt aangehouden. Tijdens de periode dat Alfons wordt opgehouden voor onderzoek, eist hij dat hij zijn advocaat mag bellen of dat deze gebeld wordt. Mag dit geweigerd worden?

a.    Ja, omdat hij pas vanaf de ivs recht heeft op bijstand van een raadsman.

b.    Ja, omdat de raadsman geen toegang heeft tot de verdachte gedurende de eerste zes uur van het politieonderzoek.

c.    Nee, omdat een verdachte altijd het recht heeft op bijstand van een raadsman en de verdachte zoveel mogelijk de gelegenheid verschaft moet worden om zich met zijn raadsman in verbinding te stellen.

d.    Ja, volgens de HR heeft de raadman van de verdachte immers geen recht om bij het politieverhoor aanwezig te zijn.

10.         Welke stelling is juist?
I. Een aangehouden verdachte dient vóór de aanvang van zijn verhoor gewezen te worden op zijn recht een advocaat te consulteren.
II. Een aangehouden verdachte heeft tijdens het verhoor door een opsporingsambtenaar het recht op bijstand van een advocaat.

a. Uitsluitend stelling I is juist.
b. Uitsluitend stelling II is juist.
c.  Stelling I en II zijn juist
d. Stelling I en II zijn niet juist.

11.         Tijdens het verhoor door de politie blijkt dat verdachte Alfons de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Welke stelling is juist?
I. De verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, is

bevoegd zich te laten bijstaan door een tolk.
II. Bij twijfel is het uitgangspunt dat altijd een tolk wordt ingeschakeld.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

12.         Na enig onderzoek ontstaan er vermoedens dat verdachte Alfons heel regelmatig op het inbrekerspad was, ook met andere verdachten. Dit blijkt onder meer uit tapgegevens uit een ander onderzoek. De behandelend rechercheur wil graag dat het recht op vrij verkeer tussen de raadsman en verdachte Alfons beperkt wordt. Beperking van het vrije verkeer tussen Alfons en zijn raadsman is onder voorwaarden mogelijk:

a.    Tijdens het opsporingsonderzoek op last van de (hulp)OvJ.

b.    Tijdens het voorbereidend onderzoek door de OvJ mits er sprake is van verdenking van een vh-misdrijf.

c.    Tijdens het voorbereidend onderzoek door de OvJ.

d.    Uitsluitend door de RC.

13.         Nadat de raadsman de verdachte Alfons heeft bezocht, vraagt hij om inzage van de processtukken. Welke stelling is juist?
I. De raadsman heeft pas vanaf de ivs het recht om van de processtukken kennis te nemen.
II. Tijdens het opsporingsonderzoek kan ook de hulpOvJ in het belang van het onderzoek de kennisneming van bepaalde stukken aan de verdachte en de raadsman onthouden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

14.         De rechercheur vraagt zich af of de tapverbalen uit de andere zaak (zie vraag 11) die ook gegevens bevatten die van belang zijn voor de zaak tegen verdachte Alfons wel processtukken zijn.

a.    Sv geeft geen omschrijving van ‘processtukken’.

b.    Losse pv’s die nog niet bij het OM zijn ingeleverd maar zich nog bevinden op het politiebureau zijn geen processtukken.

c.    Processtukken zijn uitsluitend de voor verdachte belastende stukken.

d.    Verzoeken tot inzage van de processtukken dienen gericht te worden aan de OvJ.

15.         De rechercheur wil dat aan verdachte Alfons de kennisneming van de tapverbalen (zie vraag 13) worden onthouden. Welke stelling is juist?
I. Voor processtukken verkregen door bijzondere opsporingsbevoegdheden geldt voor kennisneming door de verdachte een afwijkende regeling.
II. De hulpOvJ kan onder voorwaarden kennisneming van deze processtukken aan de verdachte onthouden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

16.         Van een verhoor van de verdachte Alfons zijn audiovisuele opnamen gemaakt.

a.    Als er audiovisuele opnamen zijn gemaakt, dan moet dit uit de processtukken blijken.

b.    De verdachte en diens raadsman hebben geen recht tot kennisneming van de inhoud van die audiovisuele opnamen.

c.    Audiovisuele opnamen moeten altijd bij de processtukken worden gevoegd.

d.    Audiovisuele opnamen mogen niet bij de processtukken gevoegd worden.

17.         Alfons heeft tijdens het onderzoek door de politie bekennende én leugenachtige verklaringen afgelegd. Welke stelling is juist?
I. Een tegenover de politie afgelegde maar ter terechtzitting weer
ingetrokken verklaring kan door de rechter toch voor het bewijs worden gebruikt.
II. Een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte mag niet als bewijs tegen hemzelf gebruikt worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

18.         Een opsporingsambtenaar hoort aan het politiebureau een heler van verdachte Alfons. Deze medeverdachte was vrijwillig verschenen aan het politiebureau. De opsporingsambtenaar deelt de medeverdachte mee waarvan hij verdacht wordt, vraagt hem naar zijn volledige personalia, geeft hem vervolgens de cautie en vraagt hem om een verklaring. Tevens vertelt hij de medeverdachte indringend dat als deze geen verklaring aflegt er zal worden overgegaan tot aanhouding en ivs. De verdachte kiest eieren voor zijn geld en bekent een televisie van Alfons geheeld te hebben.

a.    Een aldus afgelegde verklaring zou wel eens onrechtmatig verkregen kunnen zijn.

b.    De cautie moet voor het vragen naar personalia gegeven worden.

c.    De cautie behoeft pas na aanhouding gegeven te worden.

d.    Zwijgen door een verdachte mag nooit tegen hem gebruikt worden.

19.         Inmiddels volstaat verdachte Alfons tijdens het politieverhoor met het zich telkens weer beroepen op zijn zwijgrecht. Er zijn echter wel momenten tijdens het transport van de verdachte dat hij ongevraagd verklaringen aflegt aan de opsporingsambtenaren die het transport verzorgen. Welke stelling is juist?
I. Ook de verdachte die zich op zijn
zwijgrecht beroept, mag worden ondervraagd.
II. Een verdachte die ongevraagd een verklaring aflegt tegenover een opsporingsambtenaar dient daarbij onderbroken te worden en op zijn zwijgrecht gewezen te worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

20.         Voor de cautie (het meedelen aan de verdachte dat hij niet tot antwoorden verplicht is) geldt:

a.    Dat het geven van de cautie niet uit het pv behoeft te blijken.

b.    Dat het niet verwerken in het pv van een wel gegeven cautie niet hersteld kan worden.

c.    Dat de rechter antwoorden op aan de verdachte gestelde verhoorvragen zonder voorafgaande cautie alleen tot het bewijs mag bezigen, als de verdachte niet in zijn verdediging geschaad is.

d.    Dat een opsporingsambtenaar die vergeten is de cautie te geven dit niet meer kan herstellen.

21.         De eerdergenoemde medeverdachte van Alfons is aangehouden en vervolgens te lang opgehouden voor onderzoek voordat hij in verzekering gesteld werd. Tijdens de periode dat deze medeverdachte te lang (en dus onrechtmatig) werd opgehouden voor onderzoek legde hij een bekennende verklaring af. Welke stelling is juist?
I. Deze verklaring mag niet als bewijs tegen deze medeverdachte zelf gebruikt worden.
II. Deze verklaring mag ook niet als bewijs tegen een andere verdachte gebruikt worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

22.         Uit het politieonderzoek terzake de woninginbraken en heling blijkt van een minderjarige heler. Mag een minderjarige verdachte buiten heterdaad aangehouden worden terzake heling?

a.    Ja, ongeacht de leeftijd van die minderjarige.

b.    Nee, tegen een minderjarige mogen geen dwangmiddelen worden toegepast.

c.    Niet als deze minderjarige jonger is dan 12 jaar.

d.    Tegen minderjarigen tussen de 12 en 18 jaar mogen slechts bepaalde dwangmiddelen toegepast worden.

23.         Aan het bureau komt een reclasseringswerker die toegang verzoekt tot de ingesloten minderjarige verdachte. Nadat de reclasseringswerker weer vertrokken is, komen ook de ouders van dezelfde minderjarige verdachte aan het bureau en vragen of zij hun zoon mogen bezoeken. Welke stelling is juist?
I. Reclasseringswerkers hebben voor de uitoefening van hun werkzaamheden vrije toegang tot degenen die zijn ingesloten in politiebureaus.
II.
De minderjarige verdachte heeft het recht op vrij verkeer met zijn ouders of voogd.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

24.         Welke stelling is juist?
I. De verdediging is bevoegd voor waarheidsvinding in beslag genomen voorwerpen te bekijken en van de inhoud van in beslag genomen bescheiden (ook gegevensdragers) kennis te nemen.
II. Ook aan de benadeelde partij kan toestemming verleend worden om kennis te nemen van de processtukken.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

25.         Welke stelling is juist?
I. Bij de geringste twijfel over de gezondheidstoestand van de verdachte moet een arts gewaarschuwd worden.
II. In te roepen medische bijstand heeft voorrang boven het belang van een eventueel politieonderzoek.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.