25 VRAGEN VEELVOORKOMENDE MISDRIJVEN

Zakboek Strafrecht voor de Politie
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de opsporingsambtenaar
Set I

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

 

1.    A wordt opgepakt ter zake een poging overval. Hij beroept zich echter op vrijwillig terugtreden en dus op straffeloosheid (was al van plan om de overval toch maar niet te plegen). Welke stelling is juist?
I. Er is géén sprake van een strafbare voorbereiding of poging als het beoogde misdrijf niet voltooid is door de van A afhankelijke wil.
II. Er is ook sprake van vrijwillig terugtreden als A afzag van de overval omdat hij de indruk had dat hij mogelijk op heterdaad betrapt kon worden (bijv. doordat hij geluidssignalen van de politie hoorde en/of politie zag).

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

2.    A wordt verdacht van het medeplegen een overval maar kan aantonen dat hij ten tijde van de overval niet op de plaats delict was maar in een andere stad. Welke stelling is juist?
I. Voor medeplegen is lijfelijke aanwezigheid van de medepleger op de plaats delict  vereist.
II. Een medepleger moet tenminste een enkel bestanddeel van de delictsomschrijving hebben vervuld.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

3.    A wordt er van verdacht conform een tevoren gemaakte afspraak met een auto op een bepaalde locatie klaar te hebben gestaan teneinde B na een door die B gepleegde overval verder van de plaats delict weg te voeren. Door omstandigheden bleef B steken in een strafbare poging (opgepakt door de politie) en heeft A voor niets staan wachten op B. Is hier mogelijk sprake van medeplichtigheid van A aan de poging overval gepleegd door B?

a.    Nee, omdat het hier gaat om een gedraging van A die pas ná de overval plaats zou vinden.

b.    Nee, omdat het bij een poging is gebleven.

c.    Ja, mits er sprake is van dubbel opzet bij A.

d.    Ja, tenzij er sprake is van het aanbieden van medeplichtigheid door A.

4.    Tijdens surveillance in het uitgaansgebied hoort de politie A op het Marktplein tegen B zeggen dat hij terug moet gaan met een honkbalknuppel en die eikel van een uitsmijter vet voor zijn bek moet rammen. B slaat echter zijn arm om A en zegt dat hij de volgende keer niet meer zoveel moet drinken, rustig moet blijven en dat ze naar huis gaan. Is hier sprake van strafbare opruiing?

a.    Nee, A en/of B zijn immers niet naar de uitsmijter toegegaan.

b.    Nee, er is immers geen sprake van opruiing tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag.

c.    Ja, mits er op het feit waartoe wordt opgeruid tenminste 8 jaar gevangenisstraf bedreigd staat.

d.    Ja, zelfs als er wordt opgeruid tot een overtreding.

5.    De politie wordt gestuurd naar de plaatselijke winkel van Albert Heijn alwaar veelpleger A in strijd met een aan hem uitgereikte ontzegging toch de winkel is binnengegaan en nu voor problemen zorgt. Ter plaatse aangekomen treft de politie A in de betreffende winkel aan. Kan er hier sprake zijn van huisvredebreuk gepleegd door A?

a.    Nee, het betreft immers geen woning.

b.    Ja, mits A op de hoogte was van de ontzegging.

c.    Ja, echter alleen als de politie tenminste tweemaal het vertrek van A heeft gevorderd en daaraan door A opzettelijk niet voldaan wordt.

d.    Nee, tenzij de politie tenminste éénmaal het vertrek van A heeft gevorderd en daaraan door A opzettelijk niet voldaan wordt.

6.    A wordt verdachte van deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr).

a.    Reeds de deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar, er behoeft dus verder nog niets strafbaars gebeurd te zijn.

b.    Voor strafbare deelneming van A is onder meer vereist dat de betreffende organisatie tenminste één misdrijf heeft gepleegd.

c.    Voor strafbare deelneming van A is onder meer vereist dat de betreffende organisatie meerdere misdrijven heeft gepleegd.

d.    Voor strafbare deelneming van A is onder meer vereist dat A heeft deelgenomen aan de door de betreffende organisatie gepleegde misdrijven.

7.    A is opgepakt ter zake openlijk geweld, zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebbende (art. 141 Sr). A ontkent in alle toonaarden ook maar enig geweld gepleegd te hebben.

a.    Voor openlijk geweld is vereist dat de verdachte zelf ook tenminste enig geweld geeft gepleegd.

b.    De enkele omstandigheid dat A aanwezig is geweest in een groep die openlijk geweld heeft gepleegd is voldoende voor de strafbaarheid van A.

c.    Het bij een demonstratie getalsmatig versterken van een groep en het zich vervolgens niet-distantiëren van die groep als deze haar toevlucht neemt tot geweld is voldoende voor strafbaarheid ter zake overtreding van art. 141 Sr.

d.    De in het 2e lid van art. 141 Sr opgenomen strafverzwaringen (vernieling, zwaar lichamelijk letsel en/of de dood) zijn alleen van toepassing op de verdachte die zelf de strafverzwaring heeft toegebracht.

8.    Welke stelling is juist?
 I. Voor strafbare wederspannigheid (art. 180 Sr) is vereist dat de dader wist dat hij met een ambtenaar van doen had.
II. Voor strafbare wederspannigheid is ook vereist dat de dader wist dat de ambtenaar zijn bediening rechtmatig uitoefende.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

9.    A doet valse aangifte van een zedenmisdrijf bij de politie. Welke stelling is juist?
I. Voor strafbaarheid van een valse aangifte (art. 188 Sr) is vereist dat de aangifte op papier staat en ondertekend is door de aangever.
II. Voor strafbaarheid van een lasterlijke aanklacht (art. 268 Sr) maakt het niet uit of het strafbare feit waarvan aangifte gedaan wordt wel of niet gepleegd is, als de met name genoemde persoon het maar niet gepleegd heeft.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

10. A wil zijn boodschappen betalen met een biljet van 50 euro dat hij ook aan de caissière geeft, maar de caissière ontdekt dat het biljet vals is. Welke stelling is juist?
I. Omdat de caissière ontdekte dat het geld vals was, kan er hooguit sprake zijn van een poging uitgeven vals geld.
II. Op het opzettelijk uitgeven van vals geld wat de uitgever te goeder trouw (als echt geld) ontvangen had staat géén voorlopige hechtenis.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

11. Voor bedreiging (art. 285 Sr) geldt dat:

a.    Een poging tot bedreiging ook strafbaar is.

b.    Bedreiging met mishandeling ook strafbaar is.

c.    Degene die bedreigd is zich ook bedreigd moet hebben gevoeld.

d.    Bedreiging niet middels een tussenpersoon kan plaatsvinden.

12. Verdachte A is in verzekering gesteld voor een uiterst gewelddadige straatroof. Zijn vriend B benadert meermalen één van de getuigen door met zijn scooter luidruchtig door de straat waar die getuige woont te rijden, bij die getuige aan te bellen en aan die getuige te vertellen dat verdachte A het erg op prijs zou stellen als de getuige zijn verklaring zou willen intrekken bij de politie.

a.    Aangezien B niet dreigt met één van de misdrijven genoemd in art. 285 Sr (bedreiging) kan niet strafrechtelijk worden opgetreden tegen B.

b.    Voor strafbaarheid van dit gedrag van B is vereist dat de getuige bij een rechter zijn eerdere afgelegde belastende verklaring intrekt.

c.    Voor strafbaarheid van dit gedrag van B is vereist dat de eerder afgelegde belastende verklaring van de getuige bij een rechter is afgelegd.

d.    Op dit feit staat voorlopige hechtenis zodat aanhouding buiten heterdaad en ivs mogelijk is.

13. Welke stelling is juist?
I. Belaging is een absoluut klachtmisdrijf.
II. Bij voortdurende delicten (zoals belaging) loopt de termijn waarbinnen de klacht moet zijn gedaan niet zolang het belagen doorgaat.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

14. Welke stelling is juist?
I. Ter zake een bedreiging (art. 285 Sr) gepleegd met een auto kan door de rechter een ontzegging besturen motorrijtuigen opgelegd worden.
II. Ter zake een bedreiging (art. 285 Sr) gepleegd met een auto kan onder omstandigheden door de politie het rijbewijs van de bedreiger worden ingevorderd.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

15. A heeft zijn vrouw jaren lang getreiterd en geslagen. Nadat zijn vrouw daarvan aangifte heeft gedaan wordt A aangehouden ter zake mishandeling.

a.    Ook psychische klachten door treiterij kunnen worden aangemerkt als mishandeling.

b.    Met mishandeling wordt gelijk gesteld opzettelijk benadeling van de gezondheid (bijv. door het opvolgen van adviezen van een zogenaamde ‘macrobioot’).

c.    Bij mishandeling die zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft gehad dient voor veroordeling ter zake dat gevolg bewezen te worden dat de opzet van de verdachte op dat zwaar lichamelijk letsel gericht was.

d.    Voor eenvoudige mishandeling mag niet buiten heterdaad worden aangehouden.

16. Welke stelling is juist?
I. Een goed dat al gestolen is, kan niet wederom gestolen worden.
II. Als het goed ten dele toebehoort aan de verdachte kan er géén sprake zijn van diefstal door die verdachte.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

17. In een winkel wordt een bekende veelpleger nog voor de kassa aangehouden ter zake verdenking van winkeldiefstal (dekbedovertrekken onder zijn jas gestoken).

a.    Voor een voltooide winkeldiefstal moet de verdachte de kassa zijn gepasseerd.

b.    In dit soort zaken (gepakt voor de kassa) kan er ook geen sprake zijn van een poging diefstal.

c.    In dit soort zaken (gepakt voor de kassa) kan er alleen sprake zijn van verduistering.

d.    Als het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening pas is ontstaan ná het wegnemen dan is er geen sprake van (poging) diefstal maar mogelijk wel van (poging) verduistering.

18. Welke stelling is juist?
I. Ook bij een pinbetaling met een gestolen bankpas kan er sprake zijn van diefstal (van ‘digitaal’ geld).
II. Zonder aangifte kan er geen sprake zijn van diefstal.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

19. Welke stelling is juist?
I. Een huissleutel welke tot opening van het slot van de toegangsdeur van een woning wordt gebruikt door iemand die daartoe geen recht heeft, is ten aanzien van dat slot een valse sleutel.
II. Ook een ijzerdraadje waarmee door de dief een slot via bijv. een brievenbus wordt geopend is een valse sleutel.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

20. Verdachte A dwingt caissière B van een benzinestation tot afgifte van geld door een vuurwapen te richten op klant C. Tevens wordt klant D zo gedwongen tot afgifte van een pinpasje mét pincode. Achteraf blijkt C geen klant geweest te zijn maar de medeverdachte van A. A en C hebben de bedreiging in scène gezet om de caissière die achter kogelwerend glas zat aldus te bewegen tot afgifte van het geld. Al doende hebben A en C de ook binnenkomende klant D gelijk maar even meegepakt.

a.    Voor afpersing is vereist dat het (bedreigen met) geweld gericht is tegen degene die af moet geven.

b.    Het creëren van een dreigende situatie kan niet gezien worden als ‘bedreiging met geweld’ als bedoeld bij afpersing.

c.    Voor afpersing is vereist dat degene tegen wie de bedreiging gericht was zich ook daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld.

d.    Onder afpersing valt ook het onder bedreiging met geweld noemen van een pincode.

21. Welke stelling is juist?
I. Afpersing is een relatief klachtmisdrijf.
II. Onder de voor afpersing vereiste afgifte valt ook het doen afgeven door een derde aan een derde.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

22. A wordt verdacht van het verduisteren van gehuurde films op dvd. Welke stelling is juist?
I. De voor verduistering vereiste toe-eigening is voltooid door het enkele feit dat de verdachte een voorwerp dat hij onder zich heeft en terug had moet geven, onder zich houdt.
II. Het zich tijdelijk verschaffen van de heerschappij over een anders goed kan het voor verduistering vereiste oogmerk van toe-eigening opleveren.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

23. Welke stelling juist?
I. Onder de voor oplichting vereiste afgifte valt ook het door oplichting gedogen dat iets weggenomen wordt.
II. De eetpiraat (eten zonder betaling in een restaurant) pleegt géén strafbare oplichting.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

24. Welke stelling is juist?
I. Het middels leugens een derde bewegen tot het noemen van zijn pincode valt ook onder oplichting.
II. Voor het voor oplichting vereiste ‘samenweefsel van verdichtsels’ volstaat één leugen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

25. A koopt een pc via marktplaats.nl voor een marktconforme prijs van een met naam en toenaam bekende persoon (door A gecontroleerd aan de hand van een identiteitsbewijs). Thuisgekomen met de pc krijgt A door het bekijken van bestanden op de pc als snel en stevig argwaan dat de pc gestolen is maar besluit de pc toch maar te houden. De pc blijkt inderdaad gestolen te zijn. A wordt aangehouden voor heling en verteld de politie hoe hij aan de pc is gekomen en van wie hij de pc heeft gekocht.

a.    Als niet bewezen kan worden dat A ten tijde van de verwerving van de pc wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die pc door misdrijf verkregen was kan er geen sprake zijn van opzetheling.

b.    Onder het onder omstandigheden voor opzetheling vereiste ‘winstbejag’ valt niet de bedoeling het goed niet kwijt te raken door inbeslagneming.

c.    Onder het voor opzetheling vereiste ‘weten’ valt ook voorwaardelijk opzet.

d.    Poging tot heling is niet strafbaar.