25 VRAGEN VEELVOORKOMENDE MISDRIJVEN
Zakboek Strafrecht voor de hulpOvJ
Zakboek Strafvordering en Strafrecht voor de opsporingsambtenaar
Set II

Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

 

1.    Welke stelling is juist?
I.  Voor de strafbaarheid van ‘openlijk’ geweld in de zin van art. 141 Sr is niet vereist dat dit geweld op een openbare plaats is gepleegd.
II. Van openlijke geweldpleging in de zin van art. 141 Sr kan alleen sprake zijn als daarbij publiek aanwezig is.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Stelling I en II zijn juist.

c.    Uitsluitend stelling II is juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

2.    Een ambtenaar van de sociale dienst wordt door A bedreigd. A wil zodoende bereiken dat aan hem een uitkering wordt toegekend. Aan welk strafbaar feit maakt A zich hier mogelijk schuldig?

a.    Omkoping (art. 177 Sr).

b.    Ambtsdwang (art. 179 Sr).

c.    Gekwalificeerde ambtsdwang (art. 181 Sr).

d.    Wederspannigheid (art. 180 Sr).

3.    Welke stelling is juist?
I. Ook de verdachte die een ambtenaar door middel van bedreiging met geweld dwingt hindert bij een onrechtmatige ambtsverrichting pleegt verzet (art. 180 Sr).
II. Ook de verdachte die niet weet of de ambtenaar wel rechtmatig optreedt, kan verzet plegen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

4.    Welke stelling is juist?
I. Ambtsdwang (art. 179 Sr) en wederspannigheid (art. 180 Sr) worden met een zwaardere straf bedreigd als die dwang of wederspannigheid enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
II. Op ambtsdwang zonder strafverzwaringsgrond staat voorlopige hechtenis, op wederspannigheid zonder strafverzwaringsgrond niet.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

5.    A zegt in de woning van B dat deze een vreselijke schoft is. Niemand anders was daarbij aanwezig en niemand anders heeft de opmerking dan ook gehoord. Kan A toch strafbaar zijn v.w.b. het doen van deze uitlating?

a.    Nee, deze belediging vond immers niet in het openbaar plaats.

b.    Nee, er was immers niemand anders bij aanwezig en niemand anders heeft de opmerking gehoord.

c.    Ja, hier is sprake van smaad.

d.    Ja, hier is sprake van eenvoudige belediging.

6.    Welke stelling is juist?
I. Onder schennis van de eerbaarheid (art. 239 Sr) dient volgens de HR te worden verstaan het willens en wetens kwetsen van een bepaald persoon in diens eerbaarheidsgevoelens.
II. Schennis der eerbaarheid kan niet door woorden worden gepleegd.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

7.    Welke stelling is juist?
I. Als A zich ongekleed voor het raam vertoont zodat de overbuurvrouw dit vanuit haar slaapkamer ongewild ziet, is er voor wat betreft de buurvrouw sprake van het ‘zijns ondanks tegenwoordig’ zijn zoals bedoeld in art. 239 ten 3e Sr (schennis der eerbaarheid op een niet openbare plaats).
II. Schennis der eerbaarheid is ook voltooid als deze weliswaar niet gepleegd is op een voor het openbaar verkeer bestemde plaats maar toch vanaf zo'n plaats kan worden waargenomen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

8.    Welke stelling is juist?
I. Belediging vereist op een enkele uitzondering na een klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd.
II. Smaad(schrift) ten aanzien van een overledene is niet strafbaar.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

9.    Welke stelling is juist?
I. Als een verdachte een tot afsluiting dienende sloot bij een woning overschrijdt en vervolgens daadwerkelijk de betreffende woning binnengaat en daaruit goederen wegneemt, dan maakt hij zich schuldig aan diefstal door middel van inklimming (gekwalificeerde diefstal).
II. Diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd valt onder gekwalificeerde diefstal (art. 311 Sr).

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

10. Welke stelling is juist?
I. In tegenstelling tot diefstal door middel van geweld (art. 312 Sr) spreekt afpersing (art. 317 Sr) niet over geweld of bedreiging met geweld tegen personen maar over geweld of bedreiging met geweld in zijn algemeenheid.
II. In tegenstelling tot afpersing kent afdreiging géén strafverzwarende omstandigheden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

11. Welke stelling is juist?
I. Voor een poging tot oplichting is beslissend of de ten laste gelegde gedragingen van de verdachte kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van het in de tenlastelegging genoemde misdrijf.
II. De omstandigheid dat bij oplichting het slachtoffer van meet af aan wist dat de door de verdachte gedane mededelingen niet op waarheid berustten, staat op zich zelf aan het aannemen van een poging tot oplichting niet in de weg.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

12. A merkt tot zijn verbazing dat er kennelijk een vergissing door de bank in zijn voordeel is gemaakt. Op zijn bankrekening treft hij een bijschrijving van 10.000 euro aan zonder dat hij daar recht op had. Omdat dit uiteraard maar zelden gebeurt, maakt A het geld snel op. Kan dit verduistering (art. 321 Sr) opleveren?

a.    Nee, hier is immers geen sprake van ‘goed’ in de zin van 321 Sr.

b.    Nee, dit bedrag kan niet worden toegeëigend door A.

c.    Ja, mits hij het geld inderdaad heeft uitgegeven.

d.    Ja, dit geld kan wél worden aangemerkt als ‘goed’ dat als ‘toebehorende’ aan een ander vatbaar is voor ‘toe-eigening’ door de rekeninghouder (zijnde A).

13. Welke stelling is juist?
I. Poging tot heling is niet strafbaar.
II. A verkrijgt middels oplichting een auto van een verhuurbedrijf. De verkoop van deze auto door A kan verduistering gepleegd door A opleveren.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

14. Welk alternatief is gelet op oplichting (art. 326 Sr) juist?

a.    Oplichting vereist ten minste dat de dader het oogmerk had om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen.

b.    Bevoordeling van een ander dan degene die de oplichting pleegde, kan géén oplichting in de zin van art. 326 Sr opleveren.

c.    Voor strafbaarheid terzake oplichting dient er ten minste sprake te zijn van afgifte van enig goed.

d.    Degene die opgelicht wordt behoeft voor strafbare oplichting niet degene te zijn die het betreffende goed afgeeft.

15. A bestelt bij een postorderbedrijf een stereo-installatie en geeft daarbij de naam van zijn buurman B op. Het postorderbedrijf stuurt de bestelde stereo-installatie naar A, maar A betaalt de rekening niet. Is hier sprake van oplichting (art. 326 Sr)?

a.    Ja, mits A het oogmerk had zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.

b.    Ja, er is immers door A een valse naam gebruikt en het postorderbedrijf heeft enig goed afgegeven.

c.    Nee, hier is immers geen sprake van een valse naam.

d.    Op grond van de casus kan hier geen antwoord op gegeven worden.

16. Welke stelling is juist?
I. Ondanks dat oplichting (art. 326 Sr) spreekt over ‘listige kunstgrepen’ kan één listige kunstgreep voldoende zijn om onder deze strafbepaling te vallen.
II. Iemand bewegen tot het verrichten van een dienst kan ook onder oplichting (art. 326 Sr) vallen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

17. Welke stelling is juist?
I. Zowel oplichting (art. 326 Sr) als diefstal (art. 310 Sr) spreken over goed dat geheel of ten dele aan een ander moet toebehoren.
II. Diefstal is een relatief klachtmisdrijf, oplichting niet.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

18. A koopt bij een internetbedrijf goederen en weigert deze na bezorging te betalen. In welk geval maakt A zich schuldig aan ‘flessentrekkerij’ (art. 326a Sr)?

a.    Alleen als A hiervan een beroep maakt.

b.    Als A niet volledig betaalt.

c.    Als A niet volledig betaald én hij hiervan een beroep of gewoonte maakt.

d.    Een internetbedrijf geniet niet de bescherming van ‘flessentrekkerij’.

19. A is nogal jaloers op de goede resultaten die medelid B van de vereniging ‘parkietenliefde’ heeft met diens parkieten. A laat daarom de parkieten van B door het openzetten van de kooien ontsnappen. Kan hier sprake zijn van ‘vernieling’ (art. 350 Sr)?

a.    Alleen als de parkieten overlijden.

b.    Ja, onder ‘goed’ in de zin van art. 350 Sr valt immers ook ‘dier’.

c.    Ja, ook het opzettelijk en wederrechtelijk wegmaken van een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wordt in art. 350 Sr strafbaar gesteld.

d.    Nee, het wegmaken van een dier valt immers niet onder art. 350 Sr.

20. A koopt en verkoopt een grote partij van diefstal afkomstige smartphones. A weet dat de smartphones van diefstal afkomstig zijn en kan een aardige marge tussen de koop- en verkoopprijs houden. Nadat hij aldus een leuk spaarcentje heeft verzameld gaat hij van dat geld met zijn vriendin op vakantie naar Turkije. Zijn vriendin weet dat het geld voor de vakantie afkomstig is van de handel in gestolen goed. Welk alternatief is juist?

a.    A én B plegen opzetheling (art. 416 lid 1 Sr).

b.    A pleegt opzetheling (art. 416 lid 1 Sr), zijn vriendin pleegt geen strafbaar feit.

c.    A pleegt opzetheling (art. 416 lid 1 Sr), zijn vriendin trekt hieruit voordeel (art. 416 lid 2 Sr).

d.    Voor opzetheling dient hier sprake te zijn van winstbejag.

21. Door het gooien met keien raakt een politieagent gewond. Dit letsel kan bij openlijk geweld gekwalificeerd worden als:

a.    Een strafverzwarende omstandigheid voor iedere deelnemer, ongeacht het letsel.

b.    Een strafverzwarende omstandigheid voor iedere deelnemer, mits het zwaar lichamelijk letsel betreft.

c.    Alleen een strafverzwarende omstandigheid ten aanzien van de deelnemers, wier handelingen het letsel ten gevolge hebben gehad.

d.    Alleen een strafverzwarende omstandigheid ten aanzien van de deelnemers, wier handelingen waren gericht op het toebrengen van letsel.

22. Welk alternatief is gelet op oplichting (art. 326 Sr) juist?

a.    Als oplichtingsmiddel volstaat één enkele leugen.

b.    Van een samenweefsel van verdichtsels in de zin van art. 326 Sr is slechts sprake als de gedane mededelingen in al haar onderdelen onjuist zijn.

c.    Voor afgifte in de zin van art. 326 Sr is vereist dat het goed de macht van de opgelichte verlaat en tevens dat het goed in de macht van de oplichter komt.

d.    Van oplichting kan alleen maar sprake zijn als het oogmerk van de dader op wederrechtelijke bevoordeling van zichzelf of een ander is gericht.

23. Het doen van een valse aangifte (art. 188 Sr) is pas strafbaar als:

a.    Deze tegen een bepaald persoon gericht is.

b.    Het strafbare feit waarvan aangifte gedaan wordt een misdrijf is.

c.    De aangever weet dat het strafbare feit niet gepleegd is.

d.    De aangever bij het doen van de aangifte tevens om vervolging verzoekt.

24. Welke stelling is juist?
I. Onder feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr) kan ook vallen het heimelijk en onverhoeds filmen van seksuele handelingen.
II. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid kan ook per webcam (internet) gepleegd worden.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

25. Een verkeersdeelnemer overtreedt art. 6 WVW waardoor een ander lichamelijk letsel bekomt. Het ongeval is mede veroorzaakt doordat de verdachte zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden.
Welke stelling is juist?
I. Op deze overtreding van art. 6 WVW staat voorlopige hechtenis.
II. Een enkele verkeersovertreding kan nooit schuld in de zin van art. 6 WVW opleveren.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.