25 VRAGEN ZEDELIJKHEIDSWETGEVING
Zakboek Strafrecht voor de hulpOvJ hoofdstuk 10
Auteursrechten voorbehouden www.zakboekenpolitie.com

1.            Welke stelling is juist?
I. Voor enkele met name genoemde zedenmisdrijven is nog steeds een klacht vereist.
II. Ter zake van een misdrijf, omschreven in art. 245, 247, 248a, 248d of 248e Sr en gepleegd t.a.v. een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het OM de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

2.            Een hoofdagent vraagt aan de hulpOvJ hoe de verjaring is geregeld bij zedenmisdrijven. Welke stelling is juist?
I. De regels over verjaring zijn onoverzichtelijk door de vele wetswijzigingen.
II. Voor minderjarige verdachten én slachtoffers gelden bovendien afwijkende regels.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

3.            Een man doet aangifte van verkrachting van zijn pony door de overbuurman. Welke stelling is juist?
I. Seks tussen mens en dier (bestialiteiten) valt onder de zedelijkheidswetgeving.
II. Daarbij is wel vereist dat verdachte zelf deelneemt aan de seksuele activiteiten.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

4.            Een bij de politie ambtshalve bekende verdachte is voor de zoveelste keer aangehouden voor schennis van de eerbaarheid.

a.    Op schennis van de eerbaarheid staat voorlopige hechtenis en deze verdachte zou dus in verzekering gesteld kunnen worden.

b.    Herhaalde schennis tegenover hetzelfde slachtoffer kan onder omstandigheden belaging opleveren.

c.    Onder schennis valt ook schennis door afbeelding, geschrift of gesproken woord.

d.    Voor het plegen van schennis van de eerbaarheid wordt vereist dat een bepaalde persoon door de handeling van de dader in zijn eerbaarheidgevoelens wordt gekwetst en dat het opzet van de dader op kwetsing van die eerbaarheidgevoelens is gericht.

5.            Welke stelling is juist?
I. Ook virtuele kinderporno is strafbaar gesteld.
II. De leeftijdsgrens voor kinderporno is 16 jaar.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

6.            Voor de strafbaarheid van kinderporno geldt onder meer:

a.    Dat bewezen moet worden dat het opzet van de verdachte zich mede heeft uitgestrekt tot de leeftijd van het slachtoffer.

b.    Dat de werkelijke leeftijd van het kind bewezen moet worden.

c.    Dat virtuele kinderporno wel realistisch moet zijn.

d.    Dat het verspreiden van een enkel exemplaar van een kinderpornoafbeelding niet strafbaar is.

7.            Voor het in bezit hebben van kinderporno geldt onder meer:

a.    Dat het in bezit hebben van een enkele afbeelding niet strafbaar is.

b.    Dat het in bezit hebben van een enkele afbeelding voor eigen gebruik niet strafbaar is.

c.    Dat het in het bezit slechts strafbaar is als er sprake is van (voorwaardelijk) opzet, gericht op het in bezit hebben van die kinderporno.

d.    Dat het in bezit hebben van kinderporno met het uitsluitende doel kinderporno te gebruiken voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden géén strafuitsluitingsgrond meer kan opleveren.

8.            Welke stelling is juist?
I. Van dwingen bij verkrachting is géén sprake als het slachtoffer doordat zij (half) in slaap was door misleiding van de kant van de verdachte diens handelingen heeft toegelaten (omdat het slachtoffer ten onrechte dacht dat de verdachte haar vriend was).
II. Van dwingen bij verkrachting is ook geen sprake als het slachtoffer wordt gedwongen tot het doorgaan van geslachtsgemeenschap die aanvankelijk zonder dwang tot stand is gekomen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

9.            Voor ‘(bedreiging met) geweld’ bij verkrachting geldt:

a.    Dat daaronder niet valt geweld tegen een ander dan het slachtoffer.

b.    Dat daaronder ook kan vallen geweld tegen goederen.

c.    Dat daaronder niet valt het onverhoeds duwen/brengen van de penis en/of vingers in de vagina van het slachtoffer.

d.    Dat van bedreiging met geweld geen sprake is als de verdachte alleen een dreigende situatie heeft gecreëerd.

10.         Onder (bedreiging met) een andere feitelijkheid:

a.    Valt niet een verdachte die door de invloed van drugs of alcoholhoudende drank dreigend overkomt.

b.    Valt niet de bedreigende situatie (door bijvoorbeeld de deur van een vertrek in een verlaten woning af te sluiten).

c.    Valt niet het misbruik maken van (een) uit feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht.

d.    Kan ook vallen het door de verdachte misbruik maken van het uit zijn, verdachtes,  leeftijd voortvloeiende fysieke en/of geestelijke overwicht.

11.         Welke stelling is juist?
I. Van dwang kan sprake zijn als de handelingen van verdachte plaatsvonden in een situatie waarin het voor het slachtoffer moeilijk was om zich aan die handelingen te onttrekken.
II. Voorwaardelijk opzet van de verdachte gericht op het plegen van ontuchtige handelingen tegen de wil van het slachtoffer kan bijv. worden aangenomen als het slachtoffer afwijzend reageerde en de handelingen plaatsvonden tijdens rijlessen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

12.         Welke stelling is juist?|
I. ‘Seksueel binnendringen van het lichaam’ bij verkrachting omvat ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking (genitaal, oraal of anaal), behalve de tongzoen.
II. ‘Seksueel binnendringen van het lichaam’ bij verkrachting omvat niet het door het slachtoffer dulden dat verdachte zijn penis in de vagina van dat slachtoffer houdt.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

13.         Een verdachte ter zake seksueel binnendringen bij een slachtoffer met een ziekelijke stoornis (art. 243 Sr) verklaart niets van die stoornis gemerkt te hebben én dat het slachtoffer toestemming heeft gegeven.

a.    Mannen en jongens vallen niet onder de bescherming van art. 243 Sr.

b.    Ingevolge art. 243 Sr is het seksueel binnendringen van een slachtoffer met een ziekelijke stoornis onder alle omstandigheden verboden.

c.    Onder het bestanddeel vereiste ‘weten dat’ van art. 243 Sr valt géén voorwaardelijk opzet.

d.    Onder ‘lichamelijke onmacht’ in de zin van art. 243 Sr valt ook de trance/hypnose.

14.         Welke stelling is juist?
I. Voor strafbaarstelling van het seksueel binnendringen van iemand beneden 12 jaar (art. 244 Sr) is vereist dat de verdachte wist althans kon weten dat het slachtoffer nog geen twaalf jaar was.
II. Art. 167a Sv vereist dat onder meer bij een verdenking van art. 244 Sr (seksueel binnendringen van iemand beneden 12 jaar) het OM de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid stelt zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

15.         Ontuchtige handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van iemand beneden 16 jaar (art. 245 Sr):

a.    Zijn niet strafbaar gesteld als het slachtoffer met het binnendringen heeft ingestemd.

b.    Zijn alleen strafbaar gesteld als de verdachte wist althans kon weten dat het slachtoffer de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt.

c.    Zijn alleen vervolgbaar op klacht.

d.    Zijn mogelijk niet strafbaar bij een gering leeftijdsverschil tussen verdachte en slachtoffer.

16.         Welke stelling is juist?
I. Onder feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr) kunnen ook vallen handelingen die het slachtoffer bij zichzelf moest verrichten.
II. Voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr) moet sprake zijn van meerdere handelingen.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

17.         I. Voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr) is een lichamelijke aanraking vereist.
II. Het onverhoeds strelend seksueel betasten kan géén feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr) opleveren.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

18.         Een moeder doet aangifte van ontucht met haar dochter van 14 jaar, gepleegd door de vriend van moeder (art. 247 Sr). De verdachte van 63 jaar wordt gehoord en ontkent geweten te hebben dat het slachtoffer nog geen 16 jaar was. Ook verklaart de verdachte dat het slachtoffer hem wel betast heeft maar hij niet het slachtoffer. En ook hier verklaart de verdachte tot slot nog dat het slachtoffer er zelf om gevraagd had en ondanks de waarschuwingen van de verdachte door ging met haar ontuchtig gedrag.

a.    Het OM moet het slachtoffer zo mogelijk in de gelegenheid stellen haar mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.

b.    Onder ontucht in de zin van art. 247 Sr valt alleen het handelen van de verdachte en niet het nalaten in te grijpen door de verdachte (zich laten betasten).

c.    Ontuchtige handelingen gepleegd met uitdrukkelijke toestemming van het slachtoffer vallen niet onder de strafbepaling van art. 247.

d.    Verleiden tot ontucht (eveneens strafbaar gesteld in art. 247 Sr) is alleen strafbaar bij het gebruik van met name genoemde middelen.

19.         Welke stelling is juist?
I. Het verleiden van een 17-jarig meisje tot ontucht (art. 248a Sr) is gelet op de leeftijd van het meisje van meer dan 16 jaar niet strafbaar gesteld.
II. Strafbare verleiding tot ontucht (art. 248a Sr) van een 16-jarige jongen vereist als middel misleiding of giften of beloften van geld of goed. Het door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht verleiden tot ontucht is niet strafbaar gesteld.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

20.         Welke stelling is juist?
I.
Onder ‘Grooming’ (art. 248e Sr) wordt verstaan het door een volwassen persoon op internet (in het bijzonder sociale netwerk- en profielsites, chatrooms, nieuwsgroepen, etc.) actief benaderen en verleiden van minderjarigen met als uiteindelijk doel het plegen van seksueel misbruik of het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal met die minderjarige.
II. Voor strafbaarheid van ‘grooming’(art. 248e Sr) is vereist dat het contact op internet daadwerkelijk leidt tot fysiek contact tussen kind en dader, of een feitelijk door het kind gepleegde seksuele handeling.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

21.         Er is aangifte gedaan van ontucht met misbruik van gezag/vertrouwen (art. 249 Sr).

a.    Onder pleegkind in de zin van dit art. 249 Sr wordt verstaan een aangenomen kind, een kind dat men als zijn eigen kind opvoedt.

b.    Voor de mogelijke strafbaarheid van ontucht tussen docent/leerling is van belang van wie het initiatief tot de ontucht uitging (van verdachte of het slachtoffer).

c.    De instemming/toestemming van het slachtoffer heft de mogelijke strafbaarheid van ontucht tussen docent/leerling op.

d.    Onder ‘stiefkind’ valt ook het kind van de moeder waarmee de dader in concubinaat (buitenechtelijke samenleving van man en vrouw) leeft of heeft geleefd.

22.         Welke stelling met betrekking tot ‘aan zorg/waakzaamheid toevertrouwd’ in de zin van art. 249 Sr is juist?
I. Daaronder kan ook vallen degene aan wie de zorgplicht tijdelijk of gedeeltelijk is overgedragen.
II. Van toevertrouwen kan ook sprake zijn als op de verdachte geen eigen zorgplicht rust.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

23.         Een moeder doet aangifte van ontucht gepleegd met haar in het ziekenhuis opgenomen dochter, gepleegd in dat ziekenhuis door een docent van die dochter (art. 249 Sr).
Welke stelling is juist?
I. Ontucht tussen een minderjarige leerling en de docent van die minderjarige leerling buiten de directe schoolomgeving is niet strafbaar.
II.  Als het slachtoffer meerderjarig was ten tijde vande ontucht, dan is de docent niet strafbaar.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.

24.         Bij de politie loopt een onderzoek naar koppelarij (art. 250 Sr).

a.    Als koppelarij is uitsluitend strafbaar gesteld het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind met een derde.

b.    Als koppelarij is ook strafbaar gesteld het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van het plegen van ontucht door een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige met een derde.

c.    Voor het ‘bevorderen’ in de zin van koppelarij is vereist dat er ook daadwerkelijk ontucht is gepleegd.

d.    Koppelarij gepleegd ten aanzien van een minderjarige vanaf de leeftijd van 16 jaar is alleen op klacht vervolgbaar.

25.         Welke stelling is juist?
I. De arts die in de uitoefening van zijn beroep een patiënt verkracht, kan van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
II. De kinderarts die privé (niet in de uitoefening van zijn beroep) het misdrijf kinderporno pleegt, kan van de uitoefening van zijn beroep als arts worden ontzet.

a.    Uitsluitend stelling I is juist.

b.    Uitsluitend stelling II is juist.

c.    Stelling I en II zijn juist.

d.    Stelling I en II zijn niet juist.