WWW.ZAKBOEKENPOLITIE.COM

ACTUALITEITEN NA AFRONDING PAPIEREN EDITIES SV EN SR 2026

Versie 09 mei 2026

 

-     De actualiteiten worden (met enige vertraging) ook verwerkt in de digitale edities van de zakboeken op www.inview.nl (voorheen Navigator): online informatieportal van WoltersKluwer voor juridische, fiscale, financiële en overheidsprofessionals, vrij bereikbaar voor o.m. politie en rechterlijke macht.

-     Zie voor verkrijgbaarheid van de zakboeken WoltersKluwerShop: zakboeken politie.

 

 

ZAKBOEK STRAFVORDERING VOOR DE HULPOVJ

 

Wet- en regelgeving

-         Vervallen: Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, met uitzondering van de paragrafen 2.7 t/m 2.9 (stelselmatige informatie-inwinning door een burger, (burger)pseudokoop en -dienstverlening en politiële- en burgerinfiltratie (Stcrt. 2026, 15250)).

9.2 Aanwijzing advisering door de Centrale toetsingscommissie (Stcrt. 2026, 15250).

 

Jurisprudentie

2.3      Feit van algemene bekendheid. ‘Dat het delen van gegevens in een online omgeving het risico met zich brengt dat informatie gedurende lange tijd beschikbaar blijft of zelfs nooit wordt verwijderd’. Hof ‘s-Hertogenbosch 06-06-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:3792.

2.15    Jeugdigen verdachten: termijn voorgeleiding bij rechter. Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in art. 5 EVRM en art. 37 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind opgenomen vereiste van onverwijlde voorgeleiding voor een rechter, is de omstandigheid dat de aangehoudene of gedetineerde ten tijde van de arrestatie minderjarig was van groot belang. E.e.a. brengt in het algemeen niet mee dat voor minderjarigen een kortere termijn voor voorgeleiding bij de RC geldt. Dat de zinsnede ‘uiterlijk binnen drie dagen en achttien uur’ in art. 59a lid 1 Sv moet worden uitgelegd als ‘binnen 24 uur’ is dus in zijn algemeenheid onjuist. HR 17-04-26, ECLI:NL:HR:2026:679.

3.27    Confrontatie/herkenning. In het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek zijn een aantal basisnormen neergelegd. Deze basisnormen beogen de betrouwbaarheid van de bewijsgaring te waarborgen en worden ook toegepast op fotobewijsconfrontaties voor zover het bij die toepassing gaat om een toetsing van de betrouwbaarheid van het resultaat. ‘Op dit punt valt namelijk niet goed in te zien waarom onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen een confrontatie waarvan de verdachte in persoon onderdeel is en een fotobewijsconfrontatie. Ditzelfde geldt voor toepassing van de Handleiding confrontatie (…) en de in de bijlagen van die Handleiding opgenomen Richtlijnen meervoudige fotobewijsconfrontatie’. Besluit en Handleiding kunnen als referentiekader dienen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen die door middel van een fotobewijsconfrontatie tot stand zijn gekomen. Hof Amsterdam 12-02-26, ECLI:NL:GHAMS:2026:521.

3.40    Televisieprogramma deelt info met politie. Het is ‘bepaald niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig dat een televisieprogramma zoals [naam tv-programma] - een programma dat erom bekend staat zich publiekelijk in te zetten voor de strijd tegen (online) oplichting - informatie deelt met de politie. Het louter delen van zulke informatie met politie maakt niet dat hierdoor voor wat betreft de inhoud van deze informatie sprake is van een handelen waarop opsporingsambtenaren of ambtenaren van het OM enige invloed hebben gehad. Voor zover sprake was van een door het programma [naam tv-programma] in gang gezette pseudokoop door een burger of een poging daartoe maakt dit dat oordeel niet anders’. Hof ‘s-Hertogenbosch 20-08-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:2274.

3.56  Beperking betogingsrecht via APV. De grondwetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen dat het recht op betoging alleen door lagere overheden kan worden beperkt via een specifieke wetsbepaling. De APV mocht dus niet het betogingsrecht als bedoeld in art. 9 Grondwet beperken. HR 24-03-26, ECLI:NL:HR:2026:483 (ontslag van rechtsvervolging).

4.18  Schadevergoeding ivs vanwege onrechtmatige overheidsdaad. ‘Een gewezen verdachte kan bij de burgerlijke rechter op grond van onrechtmatige overheidsdaad vergoeding vorderen van schade die hij heeft geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie. Een van de (…) gronden om aan te nemen dat sprake is van onrechtmatig strafrechtelijk optreden, is dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht. In een dergelijke procedure moet de burgerlijke rechter - gezien de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt - met terughoudendheid de afweging toetsen die de (hulp)OvJ heeft gemaakt bij het uitvaardigen van een bevel tot ivs. De burgerlijke rechter kan slechts ingrijpen indien de keuzes die de (hulp)OvJ, in redelijkheid niet navolgbaar zijn. De vraag of voor het bevel tot ivs een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond, moet de burgerlijke rechter beoordelen naar het tijdstip waarop dat bevel gegeven wordt’. HR 17-04-26, ECLI:NL:HR:2026:679.

6.6    Verbeurdverklaring (art. 33a Sr). ‘Voor verbeurdverklaring op de grond dat het voorwerp geheel of grotendeels ‘door middel van of uit de baten van’ het strafbare feit is verkregen, is (…) niet vereist dat ook kan worden vastgesteld dat dit voorwerp een vermogensvermeerdering als gevolg van het strafbare feit belichaamt. Het volstaat dat kan worden vastgesteld dat de veroordeelde als gevolg van het strafbare feit de beschikking heeft gekregen over het betreffende voorwerp’. HR 10-02-26, ECLI:NL:HR:2026:192. 

6.18  Toepassingsbereik art. 36e Sr, goed is voorwerp misdrijf: ontnemen? De enkele omstandigheid dat een goed, zoals een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, brengt niet met zich mee dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt dat op grond van art. 36e lid 2 Sr kan worden ontnomen. HR 10-02-26, ECLI:NL:HR:2026:192.

6.20 Ontneming bij meerdere daders. ‘In het geval dat er meerdere daders zijn, zal de rechter niet altijd direct kunnen vaststellen wat de omvang is van het door de betrokkene verkregen voordeel. Dan zal de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de verschillende daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan de betrokkene moet worden toegerekend. Als de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend aan de betrokkene. Dit betekent niet dat de rechter, in het geval er meerdere daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en ook niet dat, wanneer de rechter wel tot een verdeling komt, pondspondsgewijze toerekening van het voordeel aan de betrokkene het uitgangspunt moet vormen. De omstandigheden van het geval zijn bij de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter verplicht is die schatting nader te motiveren, komt bovendien betekenis toe aan de procesopstelling van de betrokkene’. HR 31-03-26, ECLI:NL:HR:2026:491.

6.28 Rekening houden met geldboete bij ontneming (art. 36e lid 10). Onder art. 36e lid 10 Sr wordt ook begrepen een geldboete die (deels) is opgelegd omdat met voldoening van de geldboete (een deel van) wederrechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene komt te ontvallen. HR 13-02-26, ECLI:NL:HR:2026:179.

6.40 Betreden/toegang/doorzoeken/onderzoeken/doorgang. Openen deur oven geen doorzoeking, want op moment van openen had verbalisant door glazen ruit oven al met het oog waargenomen wat hij in beslag wilde nemen. HR 17-03-26, ECLI:NL:HR:2026:442.

9.9    Inzet criminele burgerinfiltrant (art. 126w Sv). Toegestaan, zie voor voorwaarden HR 10-02-26, ECLI:NL:HR:2026:178 (zéér omvangrijke toetsing, vormverzuimen zonder rechtsgevolgen).

9.18  Informatie vragen op grond van art. 162 lid 2 Sv (aangifteplicht openbare colleges en ambtenaren: desgevraagd inlichtingen verstrekken). De OvJ en de door deze aangewezen hulpOvJ zijn op grond van art. 162 lid 2 Sv bevoegd tot het inwinnen van inlichtingen over vermoedelijke begane strafbare feiten. Opvragen van deze informatie kan plaatsvinden met een gericht verzoek en hoeft niet bij uitsluiting plaats te vinden door aanwending van bevoegdheid van art. 126nd Sv. HR 13-02-26, ECLI:NL:HR:2026:233.

10.4 Klachttermijn (art. 66 Sr en 316 lid 3 Sr). Bij het bepalen van het aanvangsmoment van de termijn waarbinnen de klachtgerechtigde een klacht moet indienen, dient gekeken te worden naar het moment dat de belaging tot een einde is gekomen, ook wanneer een kortere periode bewezen is verklaard dan in de aangiftes is vermeld. Hof ‘s-Hertogenbosch 27-01-26, ECLI:NL:GHSHE:2026:222.

11.7    WVW (en andere wetgeving). Niet vereist is dat het woord vorderen letterlijk gebruikt wordt. ‘Waar het om gaat, is of uit de bewoordingen en de context waarin deze zijn geuit de verdachte heeft moeten begrijpen dat hij verplicht was zijn medewerking te verlenen (…). Duidelijk moet zijn dat er geen vrijblijvend verzoek tot medewerking wordt gedaan, maar dat een dwingende opdracht wordt gegeven die niet zonder consequenties kan worden geweigerd’. Conclusie PG, ECLI:NL:PHR:2026:102 (in stand gelaten door HR 07-04-26, ECLI:NL:HR:2026:560).

11.7 Beroep op bijzondere geneeskundige reden (art. 163, lid 3 WVW 1994). ‘Een beroep op een bijzondere geneeskundige reden kan slechts met vrucht worden gedaan indien de verdachte die mening op duidelijke en ondubbelzinnige wijze kenbaar maakt aan degene die hem beveelt zich aan een ademonderzoek te onderwerpen. Indien de verdachte zich voor zijn weigering op geneeskundige redenen beroept, zal de opsporingsambtenaar een arts moeten inschakelen, tenzij het beroep hem aanstonds ongerechtvaardigd voorkomt’.  Hof 's-Hertogenbosch 07-07-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:1924 (beroep als aanstonds ongerechtvaardigd beoordeeld).

 

 

 

ZAKBOEK STRAFRECHT VOOR DE HULPOVJ

 

Wet- en regelgeving

-     geen.

 

Jurisprudentie

2.7      Opzet gericht op zware mishandeling: Vuistslag op kaak n.a.v. verkeersruzie waarna aangever hard op grond viel. Aangever bewusteloos naar ziekenhuis vervoerd, langere tijd in coma gelegen en breuken in zijn gezicht en ernstig hersenletsel opgelopen. ‘De vuistslag die verdachte - die volgens eigen zeggen met 94 kg een stuk zwaarder was dan de aangever - heeft gegeven is heel hard geweest. Dat volgt onder meer uit de verklaringen van getuigen die de indruk hadden dat verdachte aan vechtsport deed. Ook dat aangever direct na en kennelijk door de klap op de grond is gevallen, draagt bij aan de conclusie dat de vuistslag tegen het hoofd hard is geweest. Dat verdachte aangever met zijn vuist hard tegen het hoofd heeft geslagen, een zeer kwetsbaar lichaamsdeel, maakt dat de gedragingen van verdachte gelet op de uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden aangemerkt dan als aanvaarding van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel’. Hof Amsterdam 15-12-25, ECLI:NL:GHAMS:2025:3687 (citaat uit NJFS 2026/82).

11.7    Opzetaanranding (art. 241 Sr). ‘Heeft betrekking op situaties waarin de dader seksuele handelingen verricht met een ander en daarbij opzettelijk de ontbrekende wil bij die ander negeert of voor lief neemt. Daaronder vallen handelingen die bestaan uit een op een seksuele beleving gerichte aanraking(en) van lichaamsdelen. Wanneer die onverhoeds worden verricht, kan dat getuigen van het opzettelijk negeren van de ontbrekende wil. In dat geval is de dader zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil hij de ander geen ruimte geven om zich hiertegen uit te spreken’. Hof Den Haag 26-01-26, ECLI:NL:GHDHA:2026:110.

11.9    Opzetverkrachting (art. 243 Sr nieuw). ‘Verdachte meende toestemming te hebben voor het verrichten van seksuele handelingen omdat hij dat meerdere keren had gevraagd. Aangeefster verkeerde echter in een staat van lichamelijke onmacht en kón daardoor geen toestemming geven. Door in deze omstandigheden toch toestemming te vragen heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de seksuele handelingen plaatsvonden terwijl de wil daartoe bij aangeefster ontbrak’.  Rb Noord-Nederland 30-12-25, ECLI:NL:RBNNE:2025:5604.

14.1    Schending van ambts/beroepsgeheim (art. 272 Sr)

-      ‘Informatie die enig geheim bevat, betreft informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt’.

-      ‘Bij de beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de informatie, het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en het moment waarop de geheimhoudingsplichtige deze informatie aan een derde verstrekte. Dat de betreffende informatie ook bij een andere instantie of op andere manier dan wel op een later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een “geheim” als bedoeld in art. 272 Sr’.

HR 13-01-26, ECLI:NL:HR:2026:32.

15.16  Bedreiging: schriftelijk en onder bepaalde voorwaarde (art. 285 lid 2). De voorwaarde moet ertoe kunnen leiden ‘dat de bedreigde (nader) wordt beperkt in zijn keuze- en handelingsvrijheid. Dit betekent dat aan de bedreiging een zodanige voorwaarde wordt verbonden dat het in voldoende mate binnen de invloedssfeer van de geadresseerde ligt of die voorwaarde al dan niet wordt vervuld. Dit kan in het bijzonder aan de orde zijn als de strekking van de voorwaarde is, dat de geadresseerde een bepaalde gedraging moet verrichten of juist moet nalaten. Daarbij hoeft de voorwaarde niet rechtstreeks betrekking te hebben op het gedrag van de geadresseerde’. Van een voorwaarde ‘kan ook sprake zijn als de intreding van het door de bedreiger beoogde resultaat niet alleen een gedraging van de geadresseerde vergt, maar mede afhankelijk is van het gedrag van anderen. Als daarentegen aan de bedreiging een voorwaarde wordt verbonden die geheel buiten de invloedsfeer van de geadresseerde ligt, dan is’ de strafverzwaringsgrond niet van toepassing. HR 10-03-26, ECLI:NL:HR:2026:376 (met noot Bijlsma in NJ 2026/152).

15.18  Belaging (art. 285b Sr). Ook van van toepassing bij rechtspersoon. Hof Arnhem-Leeuwarden 24-02-26, ECLI:NL:GHARL:2026:1096.

15.19  Gebruik persoonsgegevens voor intimidatie (doxing) (art. 285d Sr). ‘De verdachte heeft zich ten aanzien van het slachtoffer, een ambtenaar van politie, schuldig gemaakt aan “doxing”, door tweemaal op Facebook een voor het slachtoffer kwetsende, beledigende en bedreigende tekst te plaatsen met daarbij een foto van het slachtoffer gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn politietaak, te weten: een verkeerscontrole aan de personenauto van de verdachte op de openbare weg. In de tekst roept de verdachte lezers van de berichten onder meer op om de naam en het adres van het slachtoffer aan hem bekend te maken, looft hij voor informatie over het slachtoffer een beloning uit, geeft hij aan dat hij inmiddels weet in welke wijk het slachtoffer woont en wekt hij daarmee de suggestie dat hij het slachtoffer thuis wil gaan opzoeken’. Hof ‘s-Hertogenbosch 06-06-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:3792.

17.1    Psychische mishandeling. ‘Art. 300 Sr ziet onder meer op gedragingen die geen direct letsel veroorzaken, maar wel een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam teweegbrengen. De min of meer hevige onlust hoeft weliswaar niet per se lichamelijk te zijn, maar de gedraging van de verdachte moet wel een lichamelijke component of uitwerking hebben om onder art. 300 Sr te kunnen vallen. Dat volgt uit het gegeven dat de strafbaarstelling van mishandeling strekt ter bescherming van de lichamelijke integriteit. Louter psychische mishandeling valt niet onder het strafrechtelijke mishandelingsbegrip van art. 300 Sr’. Hof Arnhem-Leeuwarden 17-12-25, ECLI:NL:GHARL:2025:8129, citaat afkomstig uit NJFS 2026/29.

17.1    Mishandeling: opzettelijke benadeling van de gezondheid (art. 300 lid 4 Sr). Drogeren aangeefster door toevoegen van temazepam aan haar drankje. Hof Arnhem-Leeuwarden 10-04-26, ECLI:NL:GHARL:2026:2171.

29.5    Dood door schuld in verkeer (art. 6 WVW 1994). Verdachte en zijn medeverdachten hebben de weg na het verrichten van oogstwerkzaamheden onvoldoende schoongemaakt en daarmee een gevaarlijke situatie op die weg gecreëerd. Het slachtoffer is met zijn bromfiets uitgegleden over de gladde modder op de weg, waarna hij is gevallen en tegen een tegemoetkomende auto is aangebotst en is overleden. Hof Amsterdam 03-02-26, ECLI:NL:GHAMS:2026:250.

 26.24 Nalaten hulpverlening bij levensgevaar (art. 450 Sr). ‘Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer door een medeverdachte werd geslagen en dat hij een soort doodskreet van het slachtoffer hoorde. Hij heeft gezien dat het slachtoffer richting het riet werd gesleept en hij vermoedde dat het slachtoffer in een tent werd gewikkeld. Het slachtoffer is zwaargewond aangetroffen in de rietkraag, gewikkeld in een tent, en is diezelfde avond overleden. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van het levensgevaar waarin het slachtoffer verkeerde. Al aangenomen dat verdachte op het moment van de mishandeling geen hulp kon bieden of inschakelen, zonder gevaar voor zichzelf, dan nog had hij alsnog in actie kunnen komen op enig moment na afloop van het geweld. Dit heeft hij niet gedaan. Het lijkt erop dat verdachte vooral oog had voor zijn eigen belang om niet te worden betrokken bij een eventuele strafrechtelijke procedure en dat hij dit belang heeft laten prevaleren boven het beschermen van het leven van het slachtoffer’. Veroordeling ter zake het nalaten van hulpverlening. Hof Amsterdam 15-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:68, citaat afkomstig uit NJFS 2026/54.

27.22  Opiumwet: invoeren / aanwezig hebben hennep. Zie voor de grenzen die het Unierecht stelt aan strafbaarheid op grond van nationale wetgeving van het invoeren en aanwezig hebben van hennep die is gekweekt met gecertificeerd zaad en/of waarvan het THC-gehalte lager is dan de drempelwaarde van 0,2/0,3% HR 10-02-26, ECLI:NL:HR:2026:205 en raadpleeg een specialist.

 

 

----------------------------------------------