WWW.ZAKBOEKENPOLITIE.COM

ACTUALITEITEN NA AFRONDING PAPIEREN EDITIES SV EN SR 2025

Versie 22 oktoer 2025

 

-      De actualiteiten worden (met enige vertraging) ook verwerkt in de digitale edities van de zakboeken op www.inview.nl (voorheen Navigator): online informatieportal van WoltersKluwer voor juridische, fiscale, financiële en overheidsprofessionals, vrij bereikbaar voor o.m. politie en rechterlijke macht.

-      Zie voor verkrijgbaarheid van de zakboeken WoltersKluwerShop: zakboeken politie.

 

ZAKBOEK STRAFVORDERING VOOR DE HULPOVJ

 

Wet- en regelgeving

-      Opiumwet. Wet tegengaan productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen (designerdrugs, Stb. 2025, 32), inwerkingtreding 01-07-25 (Stb. 2025, 82).

-      Wet uitbreiding strafbaarheid spionageactiviteiten. Stb. 2025, 76, inwerkingtreding 15-05-25 (Stb. 2025, 100).

-      Aanwijzing waarborgen professioneel verschoningsrecht. Stcrt. 2025, 14736.

-      Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2025. Stb. 2025, 124, inwerkingtreding 01-07-25 (Stb. 2025, 155).

-      Besluit bescherming slachtoffergegevens in processtukken en verdere inwerkingtreding Wet uitbreiding slachtofferrechten. Stb. 2021, 220, inwerkingtreding 01-07-25 (Stb. 2025, 162).

 

Jurisprudentie

3.18     Professioneel verschoningsrecht (stuk uit fiscale procedure gebruiken binnen strafrecht). Dat een advocaat een stuk met daarin gegevens waarover zijn verschoningsrecht zich uitstrekt heeft ingebracht in een fiscale procedure betekent niet dat het verschoningsrecht t.a.v. betreffende gegevens is prijsgegeven voor een latere strafrechtelijke procedure. HR 25-03-25, ECLI:NL:HR:2025:456 (zie het arrest voor een uitzondering, inwinnen standpunt verschoningsgerechtigde, selectie door RC, verweer ex art. 359a Sv, enz.).

3.25   Geweldsaanwending opsporingsambtenaar

-      Er moet terughoudendheid worden betracht bij de strafrechtelijke beoordeling van geweldshandelingen van politieambtenaren in functie. Beoordeeld moet worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet. Daarbij moeten in acht genomen worden de objectieve feiten en omstandigheden zoals deze ten tijde van de gebeurtenissen bekend waren en de subjectieve beleving daarvan door de betreffende politieambtenaar op het moment van handelen. De subjectieve beleving kan achteraf bezien onjuist blijken te zijn. Een belangrijke vraag is dan of de subjectieve beleving van de politieambtenaar is gebaseerd op een eerlijk en oprecht geloof dat het gebruik van geweld noodzakelijk was. Daarvan is sprake als dat geloof op basis van goede redenen begrijpelijk is, gebaseerd op objectief vast te stellen feiten en omstandigheden. De subjectieve beleving van de opsporingsambtenaar is belangrijk voor de beoordeling, maar niet alles bepalend of doorslaggevend. Ook al had de politieambtenaar een eerlijk en oprecht geloof dat het gebruik van geweld noodzakelijk was, als dat geloof niet op basis van goede redenen begrijpelijk is, zal het geweld als onrechtmatig kunnen worden beoordeeld. Rb Midden-Nederland 09-01-25, ECLI:NL:RBMNE:2025:40.

-      Art. 7 Politiewet 2012 (geweld). ‘Op grond van het bepaalde in art. 7, eerste lid, Politiewet 2012 mag een politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld gebruiken wanneer het beoogde doel dit rechtvaardigt en het doel niet op een andere manier kan worden bereikt. Dit betekent dat het optreden van de politie moet getuigen van terughoudendheid bij het gebruik van geweld. Geweld mag slechts worden aangewend wanneer in het gegeven geval andere, minder ingrijpende middelen niet toereikend zijn (subsidiariteit). Daarnaast moet de wijze waarop het geweld wordt gebruikt op grond van art. 7, vijfde lid, Politiewet 2012 in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd zijn (proportionaliteit). Aan de toepassing van geweld gaat indien mogelijk een waarschuwing vooraf. In art. 9 Politiewet 2012 is bepaald dat in de Ambtsinstructie regels worden vastgelegd ter uitvoering van art. 7 Politiewet 2012. Zo is in de Ambtsinstructie voor een aantal geweldsmiddelen vastgelegd onder welke voorwaarden het geweldsmiddel mag worden gebruikt’. In de Ambtsinstructie zijn geen nadere regels opgenomen over de inzet van een politievoertuig als geweldsmiddel. De Rb toetst het toegepaste geweld aan de algemene bepalingen voor geweldgebruik zoals vastgelegd in art. 7 Politiewet 2012 (subsidiariteit en proportionaliteit). Rb Midden-Nederland 09-01-25, ECLI:NL:RBMNE:2025:40.

3.48   Stemherkenning. Bij het toekennen van bewijswaarde aan stemherkenningen door verbalisanten is de nodige behoedzaamheid geboden. Hof Arnhem-Leeuwarden 31-07-25, ECLI:NL:GHARL:2025:4745 (communicatie in een rijdend voertuig (OVC-gesprekken), met omvangrijke motivering).

3.57   Optreden autoriteiten i.v.m. strafbaar feit begaan tijdens demonstratie. HR 30-09-25, ECLI:NL:HR:2025:1438 en HR 30-09-25, ECLI:NL:HR:2025:1313.

4.31     Vh: voorwaarden, ingangstijdstip, duur, enz. Vh moet als ingrijpend dwangmiddel terughoudend worden toegepast. Uitgangspunt is dat de vh wordt geschorst als het doel dat (gelet op de grond of de gronden die aan het bevel tot vh ten grondslag ligt of liggen) in het concrete geval met de vh wordt nagestreefd, ook kan worden gerealiseerd door het stellen van voorwaarden in het kader van zo’n schorsing. HR 24-06-25, ECLI:NL:HR:2025:987.

4.36   Vh: schorsing/aanhouden/voorgeleiden. ‘Bij de beslissing of tot opheffing van de schorsing van de vh wordt overgegaan, gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Bij het maken van die afweging staat voorop dat vh als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Verder moet tot uitgangspunt worden genomen dat de vh wordt geschorst als het doel dat - gelet op de grond of de gronden die aan het bevel tot vh ten grondslag ligt of liggen - in het concrete geval met de vh wordt nagestreefd, ook kan worden gerealiseerd door het stellen van voorwaarden in het kader van zo’n schorsing. Dat betekent dat de rechter pas tot opheffing van de schorsing van de vh mag overgaan, als die opheffing noodzakelijk is gelet op het genoemde doel’. HR 24-06-25, ECLI:NL:HR:2025:987.

4.43   Bestuurlijk verplaatsen. Uit de tekst van het door de burgemeester gegeven noodbevel volgde dat dit bevel erop gericht was om demonstranten bestuurlijk te kunnen verplaatsen en dat is een vorm van vrijheidsbeneming. Een vrijheidsbenemende maatregel kan op grond van art. 5 EVRM en art. 15 van de Grondwet echter slechts plaatsvinden overeenkomstig een wettelijke regeling. Art. 175 Gemeentewet biedt geen wettelijke grondslag voor vrijheidsbeneming in de vorm van bestuurlijk verplaatsen. Ook om die reden had de burgemeester niet tot het geven van het noodbevel kunnen komen en daarmee is het bevel ook om deze reden onrechtmatig gegeven. Hof Amsterdam 19-06-25, ECLI:NL:GHAMS:2025:2034.

5.6       DNA-onderzoek. Op grond van art. 151a Sv kan ook een vergelijkend DNA-onderzoek plaatsvinden waarbij ‘het DNA-sporenmateriaal dat op de plaats van het delict of op het slachtoffer is veiliggesteld, handmatig wordt vergeleken met in de DNA-databank opgenomen DNA-profielen van bepaalde personen die (nog) niet als verdachten van het betreffende delict zijn aangemerkt’. HR 30-09-25, ECLI:NL:HR:2025:1399.

6.42   HR (onderzoek voorwerpen, waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken)

-      De algemene wettelijke bevoegdheden van opsporingsambtenaren (bijv. art. 95 en 96 Sv) bieden voldoende grondslag voor een onderzoek aan voorwerpen (waaronder ook elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken) mits de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. Er is dan geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de OvJ vereist.

-      Beperkte inbreuk. Bijv. onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker of als een opsporingsambtenaar een elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand (bijv. door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd).

-      Geen beperkte inbreuk. Als op voorhand te voorzien is dat door het onderzoek inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie en gevoelige gegevens). In zo’n geval is voor dat onderzoek een voorafgaande toetsing door de RC vereist (behalve in spoedeisende gevallen).

-      De RC kan (op vordering van de OvJ) een machtiging verstrekken tot het verrichten van het onderzoek. De RC kan ook een bevel aan opsporingsambtenaren geven om dit onderzoek te verrichten.

-      In geval van dringende noodzaak kan de machtiging van de RC mondeling gegeven worden (MH: HR rept niet over de mogelijkheid van een mondelinge vordering OvJ, maar lijkt mij vanzelfsprekend, in ieder geval niet uitgesloten door HR).

-      Om te  waarborgen dat bij het aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk te verrichten onderzoek geen grotere inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker dan noodzakelijk, kan in de door de OvJ gevorderde machtiging of in het door de RC te verlenen bevel worden vastgelegd waarop dit onderzoek is gericht en daarbij worden voorgeschreven dat dit onderzoek (voor zover mogelijk) geautomatiseerd wordt gedaan met behulp van een technisch hulpmiddel alsmede dat uit een schriftelijke verslaglegging van de uitkomst van het onderzoek ook de inrichting en de omvang daarvan kunnen blijken.

-      Als onderzoek heeft plaatsgevonden aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk en voor dat onderzoek voorafgaande rechterlijke toetsing was vereist, moet de gebruiker in kennis worden gesteld van de gronden waarop de toestemming voor dat onderzoek is verleend. Dat behoeft pas te gebeuren vanaf het moment waarop het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet. De verdachte zal in het algemeen van deze gronden op de hoogte komen doordat de stukken die op het onderzoek betrekking hebben, bij de processtukken worden gevoegd. Daarbuiten rust de verplichting tot notificatie op de OvJ, die hiertoe in overeenstemming met art. 126bb Sv kan handelen (kennisgeving aan betrokkene).

HR 18-03-25, ECLI:NL:HR:2025:409 (naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie 04-10-24, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck), met noot Reijntjes in NJ 2025/116).

7.10                 Binnentreden ter hulpverlening (art. 7 lid 2 Politiewet 2012)

De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak heeft toegang tot elke plaats (MH: ook dus een woning), voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is. De uitoefening van deze bevoegdheid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn (art. 7 lid 7 Politiewet 2012), acuut gevaar is niet vereist. Hof ‘s-Hertogenbosch 04-12-24, ECLI:NL:GHSHE:2024:3979.

9.10     Pseudodienstverlening. Daarvan ‘is sprake bij het door een opsporingsambtenaar aan een verdachte verlenen van een dienst. Gelet op de (…) wetsgeschiedenis - waarin als voorbeeld wordt gegeven het te huur aanbieden van een loods en waarin wordt gewezen op de toepasselijkheid van de strafuitsluitingsgrond van art. 43 Sr in relatie tot het handelen van de pseudo-dienstverlener - gaat het bij pseudo-dienstverlening in de regel om een gedraging van een opsporingsambtenaar waarmee het begaan van een strafbaar feit wordt gefaciliteerd’. Het verschil met stelselmatige inwinning van informatie (art. 126j Sv) is dat bij die informatie-inwinning niet wordt deelgenomen aan het plegen of beramen van strafbare feiten. HR 27-05-25, ECLI:NL:HR:2025:819 (met noot Jörg in NJ 2025/272).

9.10     Geen pseudodienstverlening (werken onder dekmantel: optreden door opsporingsambtenaar als tussenpersoon). Kon gebaseerd worden op art. 3 Politiewet, want bij de werkwijze werd slechts een beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. HR 27-05-25, ECLI:NL:HR:2025:819 (met noot Jörg in NJ 2025/272).

9.21   Voeging bij processtukken / geheimhoudersgegevens / vernietiging (art. 126aa Sv). ‘Van vernietiging van geheimhoudersgegevens is ook sprake als die gegevens niet meer kenbaar zijn door bewerking van de gegevensdrager of de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, waarbij de gekozen werkwijze zo moet zijn ingericht dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Om in een voorkomend geval rechterlijke controle mogelijk te maken op de manier van vernietiging (…), moet van de vernietiging voldoende nauwkeurig verslag worden gedaan in een pv. In het bijzonder moet in het pv inzicht worden gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens. Als bij die vernietiging gebruik wordt gemaakt van technische voorzieningen, moeten deze zo zijn ingericht dat kan worden nagegaan of is voldaan aan het (…) vereiste dat de gegevens niet meer kenbaar zijn, bijv. door middel van een geautomatiseerde registratie waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht’. HR 01-07-25, ECLI:NL:HR:2025:1030 (ont)grijzen door FIOD, met noot Mevis in NJ 2025/261.

11.2   Vergezelling bij betreding plaatsen o.g.v. art. 5:15 Awb. Uit het dossier bleek dat ongeveer acht maanden eerder tijdens een controle op grond van de Opiumwetgeving (in een ander pand van de verdachte) een cocaïne-wasserij was aangetroffen. Dat duidt erop dat de verdachte mogelijk betrokken was bij ernstige drugscriminaliteit. Daarom vond het Hof het alleszins voorstelbaar en redelijk dat de toezichthouders zich lieten vergezellen door politieambtenaren. ‘De sterke arm kan bijv. de toegang tot de woning forceren indien niet (vrijwillig) zou worden opengedaan, maar ook in het belang van de veiligheid van de toezichthouders kan de aanwezigheid van de sterke arm geboden zijn. Dat de politie bij het betreden van een pand in de gegeven situatie een en ander vanuit strafrechtelijk perspectief in ogenschouw neemt, spreekt naar het oordeel van het Hof voor zich en maakt geenszins dat daarmee is gegeven dat opsporings- of onderzoekshandelingen zijn verricht, zoals de verdediging lijkt te veronderstellen’. Hof ‘s-Hertogenbosch 22-08-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:2300.

11.2   Awb: onderzoek lading/vervoermiddel. De wetgever heeft niet beoogd de reikwijdte van art. 5:18 en 5:19 Awb tot het doen van onderzoek te normeren aan de hand van het onderscheid tussen zoekend rondkijken en doorzoeken. ‘De bevoegdheden van art. 5:18 en 5:19 Awb betreffen zelfstandige bevoegdheden om onderzoek te verrichten aan zaken dan wel vervoermiddelen en hun lading die (al dan niet na betreding van een plaats op grond van art. 5:15 Awb) worden aangetroffen. Dat onderzoek vindt plaats met het oog op de vervulling van de betreffende taak van de toezichthouder en strekt, gelet op art. 5:13 Awb, niet verder dan voor de vervulling van die taak nodig is’. De uitvoering van dat onderzoek hoeft zich niet te beperken tot uitsluitend zoekend rondkijken.        HR 14-10-25, ECLI:NL:HR:2025:1511.

11.7   Art. 160 lid 5 WVW 1994

-      Een bestuurder kan na een negatieve indicatieve drugstest ook als verdachte worden aangemerkt op basis van de uitkomsten van een psychomotorische test (PMT).

-      De controlebevoegdheden dienen niet in een bepaalde volgorde te worden toegepast en sluiten elkaar niet uit.

-      De wijze van toepassing van een PMT, een voorlopig onderzoek, is geen strikte waarborg in de zin van art. 8 WVW 1994.

-      Ook de waarnemingen van verbalisanten, mits geverbaliseerd, kunnen leiden tot een vermoeden van middelengebruik op grond waarvan verdachte verzocht kan worden mee te werken aan een bloedonderzoek.

Hof Arnhem-Leeuwarden 25-07-25, ECLI:NL:GHARL:2025:4645.

11.7     Verdenking uit art. 163 lid 1 WVW 1994 (handelen in strijd met art. 8 WVW 1994) kan ‘onder meer worden gegrond op het resultaat van een voorlopig ademonderzoek als bedoeld in art. 160 WVW 1994. De verdenking kan ook worden gegrond op (een combinatie van) andere feiten of omstandigheden, zoals aanwijzingen dat de bestuurder opvallend verkeersgedrag heeft vertoond of heeft bijgedragen aan het ontstaan van een verkeersongeval, de constatering dat zijn adem naar alcohol ruikt, of de omstandigheid dat hij een of meer kenmerken vertoont die wijzen op alcoholgebruik, zoals bloeddoorlopen ogen of verminderd functioneren van de spraak of de motoriek. Een uitslag van een voorlopig ademonderzoek die wel duidt op enig alcoholgebruik maar op zichzelf de hiervoor bedoelde verdenking nog niet kan dragen, kan in dit verband een relevante omstandigheid zijn’. HR 28-01-25, ECLI:NL:HR:2025:133.

11.10 Invorderingsbevoegdheid rijbewijs op grond van art. 164 WVW in tijd beperkt tot het moment dat het pv aangaande het misdrijf of de overtreding is opgemaakt. Rb Noord-Holland 03-03-25, ECLI:NL:RBNHO:2025:2316 (met verwijzing naar HR 21-10-58, ECLI:NL:HR:1958:132).

11.16 Naleven van aan bloedonderzoek gestelde eisen (art. 12 lid 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer). Staat niet in rechtstreeks verband met de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van een verricht onderzoek en er is dus geen sprake van een strikte waarborg. HR 27-05-25, ECLI:NL:HR:2025:823.

11.16 Overschrijding termijn bloedafname (art. 12 lid 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer). Gelet op zeer geringe overschrijding van termijn (10 minuten) en omstandigheid dat niet is gebleken dat verdachte enig nadeel door dit verzuim heeft ondervonden, kon worden volstaan met de enkele constatering van vormverzuim. HR 27-05-25, ECLI:NL:HR:2025:823.

11.24 Onderzoek vervoermiddel (art. 23 Wed). Het in art. 23 Wed genoemde onderzoek aan vervoermiddelen en hun lading moet plaatsvinden in het belang van de opsporing met het oog op de naleving van de in die bepaling genoemde voorschriften en dit onderzoek mag zich niet verder uitstrekken dan voor de vervulling van die taak nodig is. ‘Met inachtneming van deze begrenzing hoeft de uitvoering van dat onderzoek zich niet te beperken tot uitsluitend zoekend rondkijken’. HR 14-10-25, ECLI:NL:HR:2025:1511.

11.32 Bekeuren op kenteken: Wahv versus Sr. In Wahv-zaken is het vaste jurisprudentie dat bij kentekenconstatering uit het dossier moet volgen waarom zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. ‘Dit geldt niet voor strafzaken waarin geverbaliseerd is op basis van een kentekenconstatering, omdat er een belangrijk verschil is in beide regelingen van de kentekenaansprakelijkheid. In de Wahv wordt de beschikking bij kentekenconstatering opgelegd aan de kentekenhouder, die niet de mogelijkheid heeft een ander op te geven die het voertuig bestuurde. In strafzaken heeft een verdachte, op grond van art. 181 en 182 van de WVW 1994, wel altijd de mogelijkheid om een bestuurder op te geven. Door niet staande te houden wordt een verdachte daarom in strafzaken niet in zijn verdediging geschaad’. Hof Arnhem-Leeuwarden 28-02-25, ECLI:NL:GHARL:2025:1324.

11.32 Wahv: onderzoek naar bestuurder. Indien de identiteit van de bestuurder niet aanstonds kan worden vastgesteld, is de ambtenaar niet verplicht een onderzoek in te stellen naar de identiteit van de bestuurder en mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Het staat de ambtenaar echter wel vrij om in zo’n geval de identiteit van de bestuurder (na onderzoek) alsnog te trachten te achterhalen en de sanctie aan de bestuurder op te leggen. Hof Arnhem-Leeuwarden 18-07-25, ECLI:NL:GHARL:2025:4449.

 

 

Nieuwe paragraaf

1.9     Bewijsrecht / zakboek Pv en Bewijsrecht

 

 

 

ZAKBOEK STRAFRECHT VOOR DE HULPOVJ

 

Wet- en regelgeving

-      Strafverzwaring discriminatoir aspect (art. 44bis, 90quater, 137c t/m f en 429quater Sr). Stb. 2025, 74, inwerkingtreding 01-07-25 (Stb. 2025, 75).

-      Opiumwet. Wetswijziging tegengaan productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen (designerdrugs, Stb. 2025, 32), inwerkingtreding 01-07-25 (Stb. 2025, 82).

-      Wet uitbreiding strafbaarheid spionageactiviteiten. Stb. 2025, 76, inwerkingtreding 15-05-25 (Stb. 2025, 100).

-      Aanscherping art. 140a Sr. Stb. 2025, 71, inwerkingtreding 01-07-25 (Stb. 2025, 100).

-      Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2025. Stb. 2025, 124, inwerkingtreding 01-07-25 (Stb. 2025, 125).

-      Nieuwe Aanwijzing discriminatie. Stcrt. 2025, 23274, inwerkingtreding 21-07-25.

-      Wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel. Wijziging van Sr (…) en andere wetten in verband met de modernisering van de strafbaarstelling van mensenhandel en de introductie van de zelfstandige strafbaarstelling van ernstige benadeling en van voordeeltrekking (gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken 36547, nr. A. Zie 15.3 t/m 15.10.

 

Jurisprudentie

2.8     Grove of aanmerkelijke schuld

-      ‘In het algemeen geldt dat onder “schuld” als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid’.

-      ‘Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval’.

-      ‘Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid’.

-      ‘Daarbij geldt dat niet al uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin’.

HR 20-05-25, ECLI:NL:HR:2025:659.

2.13   Noodweer(exces)

-      Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard wanneer de gedraging van degene die zich daarop beroept niet kan worden aangemerkt als verdediging, maar als aanvallend, bijv. gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. Een beroep op noodweerexces kan dan ook niet slagen. HR 18-02-25, ECLI:NL:HR:2025:291 (met noot Machielse in NJ 2025/120).

-      Voor aanvaarding van het beroep op noodweer, noodweerexces of putatief noodweer is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan voldoende aannemelijk acht. Zekerheid is niet vereist. HR 15-04-25, ECLI:NL:HR:2025:593.

5.2       Opruiing (art. 131 Sr). Voor een bewezenverklaring van opruiing moet aan de volgende vier vereisten voldaan zijn:

-      Opruien betreft het aansporen tot enig strafbaar feit. Voor de beoordeling of daarvan sprake is, is de context van belang. 

-      Het is niet nodig dat het feit waartoe werd aangespoord ook daadwerkelijk is gepleegd.

-      Er moet sprake zijn van opzet. Dat kan voorwaardelijk opzet zijn. 

-      De opruiende uitlating moet in het openbaar gedaan zijn. Dat wil zeggen onder zodanige omstandigheden en op een manier dat deze door het publiek gehoord, gelezen of gezien kan worden.

Hof Arnhem-Leeuwarden 29-08-25, ECLI:NL:GHARL:2025:5291.

5.13   Huisvredebreuk (art. 138 Sr): in gebruik. Woning: feitelijk in gebruik (niet meer wordt vereist feitelijk in gebruik als woning). Voor in gebruik zijn van een erf (MH: of lokaal) volstaat dat een ander in feitelijke zin bezit of houderschap over het erf uitoefent. Dat verschil ‘houdt in het bijzonder verband met de beoogde bescherming van het huisrecht, waarvan bij een besloten erf (MH: of besloten lokaal) geen sprake is’. HR 28-01-25, ECLI:NL:HR:2025:124.

5.16   Computervredebreuk door politieambtenaar (art. 138ab Sr). Verdachte had zich door in te loggen met een aan hem als politieambtenaar verstrekt account voor privédoeleinden toegang verschaft tot politiesystemen en politiewerkomgeving: binnendringen met gebruik valse sleutel. Verdachte had vervolgens personen, voertuigen (kentekens) en/of adressen bevraagd, waarna hij verkregen gegevens had geëxporteerd en geprint. Niet vereist zijn nadere vaststellingen over precieze manier waarop concreet aangeduide server door verdachte is binnengedrongen. HR 01-04-25, ECLI:NL:HR:2025:501.

5.21   Gebruik verborgen camera (art. 139f Sr). Met mobiele telefoon stiekem een afbeelding gemaakt van schoondochter in bikini in een tuin. Hof Amsterdam 10-01-25,  ECLI:NL:GHAMS:2025:46.

5.24   Voortzetting criminele/verboden organisatie (art. 140 Sr). Dient ruim uitgelegd te worden en betreft iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van een verboden organisatie. Ook bijv. de enkele gedraging van het op de openbare weg dragen van kleding van een lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapter (alleen moederorganisatie Bandidos Motorcycle Club Holland was verboden). HR 14-01-25, ECLI:NL:HR:2025:28 en HR 14-01-25, ECLI:NL:HR:2025:29.

5.24   Deelneming criminele organisatie (art. 140 Sr). ‘De leden van de motorclub Bandidos koesterden van meet af aan een rivaliteit jegens de Hells Angels die in verschillende incidenten (over en weer) tot uitdrukking kwam. De sfeer tussen de motorclubs was letterlijk en figuurlijk explosief van aard en de houding van de Bandidos jegens de Hells Angels was gewelddadig en kwam erop neer dat de Hells Angels op een gewelddadige wijze ‘bestreden’ c.q. “bejaagd” dienden te worden. Daarnaast is een clubcultuur ontstaan en in stand gehouden, waarbinnen verboden wapenbezit werd begaan als onderdeel daarvan. Dit maakt dat MC Bandidos het oogmerk had tot bedreiging en openlijke geweldpleging, in het bijzonder gericht tegen de Hells Angels, en verboden wapenbezit. Verdachte is secretary/treasurer geweest van de criminele organisatie Bandidos, waarmee hij lid is geweest van de criminele organisatie Bandidos’. Hof 's-Hertogenbosch 28-03-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:866 (citaat uit NJFS 2025/160).

7.4     Wederspannigheid (art. 180 Sr)

-      Daarvan ‘is sprake als een ambtenaar die werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening of de persoon die hem daarbij bijstand verleent, door (bedreiging met) geweld wordt tegengewerkt, met als doel de door de ambtenaar ondernomen ambtshandeling te beletten of te belemmeren’ ook als de gedragingen niet direct gericht zijn tegen de politieambtenaar. HR 22-04-25, ECLI:NL:HR:2025:646.

-      Niet vereist is dat de betreffende ambtenaar door het verzet stopt met het uitvoeren van zijn ambtshandeling.  Conclusie PG, ECLI:NL:PHR:2025:21.

7.6     Strafverzwaring ambtsdwang/wederspannigheid: met verenigde krachten (art. 182 Sr). De verdachte moet zelf ook een gewelddadige handeling verricht hebben. Conclusie PG, ECLI:NL:PHR:2025:218, met verwijzing naar o.m. HR 07-03-17, ECLI:NL:HR:2017:375.

10.5   Kinderpornografie: vervaardigen (art. 240b Sr). Verdachte had volgens zijn plan het minderjarige slachtoffer een foto laten maken met zijn penis in haar mond en was bij de totstandkoming van die foto initiatiefnemer, regisseur, participant en persoon die feitelijk overwicht had op het slachtoffer. Aldus had de verdachte een afbeelding vervaardigd en niet van belang was dat het slachtoffer de camera had bediend. HR 11-02-25, ECLI:NL:HR:2025:172.

10.11 Feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr). Seksuele aard van handeling bleek uit wijze van aanraking: botsende beweging, de daarbij betrokken lichaamsdelen van verdachte (voorzijde van onderlichaam) en van aangeefster (billen), houding die verdachte aannam (achter aangeefster met beide handen in de lucht), en houding waarin aangeefster zich bevond (voorovergebogen met haar handen op tafel). De omstandigheid dat de handeling bedoeld was als grap doet aan een en ander niet af, omdat dit de seksuele aard van de handeling niet wegneemt. Ook een grap kan een seksuele lading hebben. HR 27-05-25, ECLI:NL:HR:2025:583.

11.7     Gekwalificeerde opzetaanranding (art. 242 lid 2 Sr). Voor gekwalificeerde opzetaanranding is in beginsel méér nodig dan een onverhoedse aanraking met een seksuele strekking. Hof 's-Hertogenbosch 23-04-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:1157.

11.9   Stealthing. Verdachte wist dat het slachtoffer geen geslachtsgemeenschap zonder condoom wilde. Door desalniettemin zonder condoom met zijn penis haar lichaam seksueel binnen te dringen en de geslachtsgemeenschap voort te zetten, heeft hij zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting (art. 243 Sr). Rb Rotterdam 01-08-25, ECLI:NL:RBROT:2025:9445.

13.1     Belediging (vrijheid van meningsuiting)

-      Het onder meer in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling voor eenvoudige belediging niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van art. 10 lid 2 EVRM toegelaten beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. ‘Daarvan is in de regel sprake bij uitlatingen die aanzetten tot geweld, haat of discriminatie en onverdraagzaamheid, of uitlatingen die om andere redenen strijdig zijn met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. HR somt vervolgens beoordelingscriteria op als het gaat om andere uitlatingen. HR 04-02-25, ECLI:NL:HR:2025:171 (belediging van wethouder door gemeenteraadslid).

-      ‘Hoewel het recht op vrijheid van meningsuiting een groot goed is, is het tegelijkertijd geen absoluut recht en dus ook geen vrijbrief om maar te kunnen zeggen wat men belieft. Het recht op vrije meningsuiting vindt zijn grens daar waar de rechten van anderen worden geschonden’. Hof ‘s-Hertogenbosch 27-08-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:2302 (opruiing, groepsbelediging en aanzetten tot haat, discriminatie en geweld).

15.1   Mensenhandel (art. 237f Sr). De opvatting dat uit het bewijs moet kunnen worden afgeleid dat het slachtoffer daadwerkelijk materieel nadeel heeft geleden, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht. HR 01-04-25, ECLI:NL:HR:2025:498.

15.15 Dwang (art. 284 Sr). Het doel van art. 284 Sr is ‘het voorkomen van een ernstige aantasting van de persoonlijke vrijheid, hetgeen onder meer meebrengt dat hinder of overlast in beginsel buiten de reikwijdte van deze strafbaarstelling valt. Bij de objectieve beoordeling van de ernst van de inbreuk op de persoonlijke vrijheid kunnen verschillende factoren van belang zijn, zoals de aard, ernst, duur en intensiteit van de dwang. Met het toepassen van deze factoren kan voldoende rekening worden gehouden met de opvattingen die in een bepaald tijdsgewricht in de samenleving over het betreffende gedrag bestaan (de maatschappelijke betamelijkheid) en kan voorts worden gemeten in welke verhouding het middel en het dwanggevolg of -doel tot elkaar staan (de verwerpelijke vorm van (dis)proportionaliteit)’.  Rb Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2025:2822.

15.16 Bedreiging (art. 285 Sr) politieambtenaren door hen in Facebook-live videopost volkstribunaal en doodstraf in het vooruitzicht te stellen. Hof Den Haag 15-09-25, ECLI:NL:GHDHA:2025:2111.

15.19 Gebruik persoonsgegevens voor intimidatie (doxing) (art. 285d Sr). Het op beledigende en intimiderende wijze vragen en verkrijgen van dienstnummers van opsporingsambtenaren en het maken van filmpjes met de bedoeling die op het internet te plaatsen waardoor die ambtenaren ernstige overlast kunnen ondervinden, levert ‘doxing’ op. Rb Rotterdam 19-05-25, ECLI:NL:RBROT:2025:9956.

17.1   Eenvoudige mishandeling: opzettelijke benadeling van de gezond­heid (art. 300 lid 4 Sr)

-      Kinderen ruim 3 maanden in een vervuilde en onhygiënische woning laten leven, slapen en verblijven en onvoldoende, niet constante en niet adequate lichamelijke verzorging bieden. Hof Arnhem-Leeuwarden 23-01-25, ECLI:NL:GHARL:2025:810.

-      Spugen: verdachte had zijn gezicht vlak bij gezicht slachtoffer gebracht en haar vol in gezicht en ogen gespuugd, wat zij vreselijk vies en walgelijk vond. HR 27-05-25, ECLI:NL:HR:2025:774.

23.1   Schuldschending geweldsinstructie (art. 372 Sr)

-      Verdachte (politieambtenaar) had, nadat een automobilist na een achtervolging zijn auto op de vluchtstrook tot stilstand had gebracht en was uitgestapt, deze automobilist met het door verdachte bestuurde politievoertuig van achteren aangereden, waardoor deze letsel had opgelopen. ‘De subjectieve beleving van verdachte dat de automobilist onberekenbaar was en de snelweg op zou (kunnen) rennen, was redelijk en begrijpelijk. Verdachte kon redelijkerwijs oordelen dat zich hierdoor een levensgevaarlijke situatie voordeed waarin onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk was. Het gebruik van geweld om deze gevaarlijke situatie te beëindigen was gerechtvaardigd’. Zie verder 23.1. Rb Midden-Nederland 09-01-25, ECLI:NL:RBMNE:2025:40 (citaat uit NJFS 2025/84).

-      ‘Het schenden van de geweldsinstructie moet aan de schuld van de opsporingsambtenaar te wijten zijn en - daarmee - het gevolg zijn van een verwijtbare inschattingsfout of onvoorzichtigheid van de opsporingsambtenaar. Het bestanddeel schuld omvat volgens vaste jurisprudentie niet alle vormen van schuld, maar alleen een verwijtbare, min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid. Het gaat er aldus om dat de opsporingsambtenaar het in de geweldsinstructie bepaalde heeft geschonden, terwijl van hem in de omstandigheden waarin hij zich bevond wel mocht worden verwacht dat hij conform de regels zou handelen’. Rb Midden-Nederland 09-01-25, ECLI:NL:RBMNE:2025:40.

25.2   Opzettelijk witwassen (art. 420bis Sr). € 8.870 (verspreid over een schoudertas en een koffer) aangetroffen bij securitycheck Eindhoven Airport. De omstandigheid dat er een relatief grote hoeveelheid contant geld bij de verdachte werd aangetroffen verdeeld over twee plaatsen in zijn bagage, duidt erop dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij werd in aanmerking genomen dat naar algemene ervaringsregels het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt en daarom voor privépersonen hoogst ongebruikelijk is, temeer daar de verdachte over een bankrekening beschikte waarop hij het geld veilig had kunnen neerzetten en daarover even gemakkelijk als wanneer het geld contant zou zijn, zou kunnen beschikken in Nederland en binnen de EU. HR 24-06-25, ECLI:NL:HR:2025:984.

25.2   Opzettelijk witwassen: verbergen vindplaats (art. 420bis Sr). Verdachte had € 75.160 bewaard in zijn woning in een holle ruimte onder de trap. Die ruimte was bereikbaar door een luikje dat met klemmetjes was vastgemaakt in een traptrede. Dat luikje werd pas zichtbaar na het verwijderen van de vloerbedekking op die traptrede. Aldus een verborgen ruimte, die kennelijk speciaal voor het langdurig en heimelijk verbergen van voorwerpen was gecreëerd en waarin het uit misdrijf afkomstige geldbedrag ook daadwerkelijk was verborgen. HR 18-02-25, ECLI:NL:HR:2025:212.

25.4   Gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Dit bestanddeel ‘heeft betrekking op (opzettelijk) witwassen als bedoeld in art. 420bis lid 1 Sr. Het bestanddeel kan niet worden bewezenverklaard als de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte telkens ‘schuldwitwassen’ opleveren’. HR 14-10-25, ECLI:NL:HR:2025:1516.

26.3   Gevaarlijk dier (art. 425 Sr)

-      Voor de vaststelling dat de verdachte onvoldoende zorg heeft gedragen hoeft geen sprake te zijn van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar is bepalend dat het handelen van de verdachte in enige mate als verwijtbaar aan te merken is. Het antwoord op de vraag of hiervan sprake is, is afhankelijk van de mate waarin degene onder wiens hoede het dier staat bekend was, of had moeten zijn, met de gevaarlijkheid van het dier, alsmede in hoeverre die persoon heeft voldaan aan de zorgplicht om het dier onschadelijk te houden. Hof Den Haag 08-07-25, ECLI:NL:GHDHA:2025:1329.

-      Niet vereist is ‘dat het desbetreffende dier zijn potentieel gevaarlijke karakter eerder heeft geopenbaard door een mens of ander dier aan te vallen'. Ook een dier waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert die art. 425 Sr in het algemeen heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin van die wetsbepaling worden aangemerkt’. Hof Den Haag 08-07-25, ECLI:NL:GHDHA:2025:1329.

26.24 Nalaten hulpverlening bij levensgevaar (art. 450 Sr). De behoefte aan hulp kan in enkele gevallen zo dringend zijn, dat ieder gehouden is te doen wat hij kan. Hij, die een ander met de dood ziet worstelen en bij machte is hulp te verlenen, is daartoe verplicht. Bij ogenblikkelijke nood moet de burger datgene doen wat de vertegenwoordigers van het openbaar gezag zouden verrichten, indien zij tegenwoordig waren’. ‘Hoewel het delict als een geobjectiveerd strafbaar feit is geformuleerd - want de delictsomschrijving rept niet van opzet of schuld - leidt het delictsbestanddeel “getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert” ertoe dat voor strafbaarheid bewustheid van en inzicht in dit gevaar noodzakelijk is. Uitsluitend het nalaten hulp te bieden wordt middels deze bepaling strafbaar gesteld. De rechter hoeft zich niet te buigen over de vraag wat de reden is geweest voor verdachte’s verzuim. Maar als die reden is gelegen in het ontbreken van inzicht in het gevaar waarin de ander verkeert is men niet “getuige van ogenblikkelijk levensgevaar”'. Hof ‘s-Hertogenbosch 27-05-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:1477.

27.12 Voorbereiden, enz. art. 10.4 en 10.5 Opiumwet (art. 10a Opiumwet), want vastgesteld was dat verdachte:

-      contact had met een persoon in Colombia, bekend als X, die over een hoeveelheid van 1.000 kilo cocaïne kon beschikken;

-      met deze persoon heeft onderhandeld over de aankoop van (een deel van) deze hoeveelheid cocaïne;

-      contact had met afnemers in Nederland over het verkopen van (een deel van) de hoeveelheid cocaïne en/of het verzamelen van het benodigde geld hiervoor en

-      contact had met een tussenpersoon met het doel aan X de kredietwaardigheid van de afnemers aan te tonen.

HR 27-05-25, ECLI:NL:HR:2025:812.

29.4   Zeer gevaarlijk rijgedrag (art. 5a WVW 1994): indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Daarvoor moet worden vastgesteld of dit gevaar naar algemene ervaringsregels te voorzien was. Dit vereist een beoordeling aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de plaats waar en het tijdstip waarop het genoemde gedrag heeft plaatsgevonden. Daarbij is van belang dat in het verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is bij welke andere verkeersdeelnemers men in de nabijheid zal komen en hoe deze zullen reageren op een schending van verkeersregels. Van het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander kan daarom ook sprake zijn als het gedrag met zich brengt dat de bestuurder van het voertuig niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers. HR 11-03-25, ECLI:NL:HR:2025:344 (met noot Mevis in NJ 2025/239).

29.6   Verlaten plaats ongeval (art. 7 WVW 1994). Op de veroorzaker van een verkeersongeval rust de plicht te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden. Daaronder valt ook de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van wat met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd. Nalaten kan onder omstandigheden ook doodslag opleveren (zie arrest). HR 11-02-25, ECLI:NL:HR:2025:141 (met noot Vellinga in NJ 2025/96).

 

Nieuwe paragrafen

3.2     Strafverzwaring discriminatoir aspect  (art. 44bis Sr).

15.3 t/m 15.10 Wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel. Wijziging van Sr (…) en andere wetten in verband met de modernisering van de strafbaarstelling van mensenhandel en de introductie van de zelfstandige strafbaarstelling van ernstige benadeling en van voordeeltrekking.

 

 

 

 

 

 

 

----------------------------------------------